Populisme is gewoon commercie

Wat ik mis in de commentaren over het vertrek van Ineke van Gent bij GroenLinks, is de plaats die zij innam in het tableau de la troupe van die partij. Politiek is theater en theater is casting. Als het vooroordeel wil dat je club bestaat uit grachtengordeldieren met een zilveren lepel in de mond, kun je wel een vrolijke, volslanke volksvrouw gebruiken, die, handen in de zij, de taal van de straat vertolkt.

Best mogelijk overigens dat Van Gent wel degelijk in dat mythische bevoorrechte stadsdeel werd geboren, misschien zelfs met een stuk edelmetaal in de mond; het gaat om haar Gestalt. Haar uitstraling, zoals het tegenwoordig heet.

We leven in een ‘diplomademocratie’, schreven Mark Bovens en Anchrit Wille in hun spraakmakende gelijknamige boek. 66 procent van de volksvertegenwoordiging heeft wo, 21 procent hbo. Nationaal ligt dat percentage op 30 (19 procent hbo + 11 procent wo). In de Kamer die binnenkort gekozen wordt, zal de wanverhouding waarschijnlijk nog groter zijn, want ook bij de PVV en SP wordt de schoolverlater steeds meer verdrongen door de langstudeerder. En nu Ineke Van Gent zich niet herkiesbaar heeft gesteld, zullen we straks zelfs geen Kamerlid meer hebben dat voor laagopgeleid door zou kunnen gaan.

Dit wil overigens niet zeggen dat de Tweede Kamer steeds ondemocratischer wordt. Door de komst van LPF, PVV en SP zijn de opinies van lager opgeleiden wel degelijk beter vertegenwoordigd dan voor die tijd, legde Meindert Fennema onlangs uit in de Volkskrant. Hoger opgeleiden kunnen blijkbaar prima ‘lageropgeleide’ ideeën aan de man brengen, maar hoe relevant is opleidingsniveau dan nog ter verklaring van het populisme? Het populisme tiert welig, maar ‘de gewone man’ is in de politiek een nagenoeg uitgestorven diersoort. Rara hoe kan dat?

Een verrassende analyse van deze paradox kwam ik tegen bij Jan Blommaert, hoogleraar Afrikaanse taalkunde en sociolinguïstiek aan de Universiteit van Gent, in zijn bijdrage aan de bundel Populisme (Epo, 2004). Als er één woord is dat in studies van het populisme niet mag ontbreken dan is het ‘kloof’. De Kloof, het is de Jeti van de politicologie: soms wordt er een spoor gevonden, maar niemand heeft hem ooit echt gezien. Ook Bovens en Wille vonden zo’n pootafdruk. Eigenlijk komen al die klooftheorieën erop neer dat het populisme een probleem van legitimiteit en representatie is.

Nee, zegt Blommaert. De opkomst van het populisme, met welke ontwikkeling valt die samen? Met de opmars van het marktdenken. Het populisme is een ‘spreekregime’, zoals Blommaert het formuleert, de politieke vertaling van een hypercommerciële, marktgedreven communicatiecultuur. Blommaert: „De commercialisering en professionalisering van de politieke beeldvorming [worden] verscholen achter een wolk van aanspraken inzake democratie.” De Vlaamse links-populist Steve Stevaert heeft het bijvoorbeeld vaak over ‘luisteren naar de mensen’ en ‘praten met de mensen’, merkt Blommaert op, maar wat zijn dat feitelijk? Peilingen en focusgroepen! Tussen politicus en kiezer staat „de commerce, de hele ploeg hooggeschoolde voorbereiders en distributeurs van de Volkse communicatie. Niets is derhalve zo exclusief en elitair als het hanteren van de taal van de gewone man”.

Een ontnuchterende analyse!

En zoals het gaat met sterke ideeën: ze richten de blik. Een van de grootmeesters van die moderne mediamarketing schreef een tijdje geleden in de Volkskrant dat politieke partijen hun verkiezingsprogramma’s verkeerd communiceren. Zulke lange, dorre tekst, wie gaat dat lezen? Die informatie zouden ze moeten aanbieden in de vorm van, bijvoorbeeld, een glossy. De auteur was Rob van Vuure, de eerste Nederlandse bladenmaker die een antwoord vond op de commercialisering van de mediamarkt. Bladen waarover Van Vuure de leiding kreeg, schoten omhoog in oplage. De PvdA nam Van Vuure’s advies over en lanceerde vorige week een ‘glossy’ over het programma en de kandidaten voor de verkiezingen. Oplage: 400.000.

Een typische Van Vuurecover was destijds: ‘129 diëten om van dat Kerstbuikje af te komen.’ Of: ‘1394 ideeën voor een vrolijke Paastafel.’ Vuistregel: doe klinkende beloften, liefst ondersteund met indrukwekkende getallen. Verhip, het lijkt de politiek wel! Blommaert heeft gelijk!

Dus: als straks alle politieke partijen hun antwoord in de moderne mediamarkt gevonden hebben, bestaat het populisme dan nog? Of is het dan gewoon een ander woord voor politiek?