Op 'n klein stationnetje, 's morgens in de vroegte

Aanbesteding is een woord dat een minister misbaar garandeert. Je politieke vrienden blijven op hun handen zitten, je tegenstanders steigeren, vakbonden stoken onrust en burgers lopen er niet warm voor. Alleen juristen juichen. Je kunt er zo héérlijk en langdurig over procederen.

Noemt demissionair minister Melanie Schultz van Haegen (Infrastructuur, VVD) de aanbesteding van nieuwe stoptreinlijnen daarom geen aanbesteding, maar decentralisatie?

Je moet maar durven. Haar collega’s leggen onderwerpen terzijde in afwachting van de verkiezingen. De aanbesteding van het openbaar vervoer in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag mist politieke steun sinds de kabinetsbreuk en het afhaken van de PVV.

En de Eerste Kamer onderzoekt het gevoerde beleid bij privatiseringen en verzelfstandigingen in de afgelopen twintig jaar. Een van de vier onderzochte casussen is de NS. Kan de politiek lering trekken?

Maar dat deert Schultz van Haegen niet. Zij wil nog eens vier regionale stoptreinlijnen aanbesteden. Twee in Limburg, Zwolle-Groningen en Zwolle-Enschede.

De aanbesteding is een overwinning voor de regionale vervoersbedrijven Arriva, Connexxion, Syntus en Veolia, verenigd in de FMN, de Federatie Nederlandse Mobiliteitsbedrijven. De NS is staatsbedrijf, de FMN-leden zijn gelieerd aan buitenlandse staatsbedrijven.

De aanbesteding van de vier lijnen is het resultaat van kundige lobby, politieke aversie tegen de NS na het winterse spoorfalen én de grootste mislukte aanbesteding, namelijk die van de Fyra/Hoge Snelheidslijn. De NS had die aanbesteding in 2000-2001 gewonnen met een uitzinnig bod, dat toenmalige minister Tineke Netelenbos (PvdA) gretig accepteerde maar per saldo deels gebakken lucht bleek. Om de Fyra te ‘redden’ mag de NS het Intercitynetwerk blijven rijden, maar krijgen regionale vervoerders meer armslag.

Het plan van Schultz van Haegen gaat vergezeld van een lijvig rapport van onderzoeker Eric Janse de Jonge. Hij is zo’n onbekende spin in het web: oud-politicus (CDA, Eerste Kamer), adviseur en lid van een commissie die vorig jaar rapporteerde over de OV-chipkaart. Zijn rapport illustreert de tweeslachtige houding tegenover het openbaar vervoer. Hij schrijft de reiziger met een hoofdletter R, maar kwalificeert het vervoer ook als product. Nee. Openbaar vervoer is dienstverlening. Publieke dienstverlening.

De regionale vervoermaatschappijen hebben de afgelopen jaren punten gescoord bij reizigers en politici door frequenter en punctueler te rijden en door betere trein-bus aansluitingen. Zij bespaarden soms kosten door wc’s te sluiten en door efficiëntere inzet van personeel: ‘rondjes om de kerk’ die de NS na stakingen in de ban heeft gedaan. Twee van hen, Veolia en Syntus, kampten met financiële problemen.

Met wat passen en meten zijn de vier stoptreinlijnen wellicht budgetneutraal te exploiteren, blijkt uit het Janse de Jonge rapport. Anders moet er publiek geld bij. Of de reiziger betaalt extra.

Is dat alle heisa waard? Het lijkt er op dat regionale bestuurders zich ook op de (spoor)kaart willen zetten. Kan het ambtelijk apparaat de procedures aan of wordt dit een gouden kans voor (dure) consultants? De reiziger maakt nog steeds dubbele kosten bij het overstappen met de OV-chipkaart tussen de NS en FNM-lijnen.

Het succes van de regionale vervoerder is ook het falen van de regiofunctie van de NS. Het is goedkoper én in het belang van de Reiziger dat (de opvolger van) Schultz van Haegen de NS effectiever op het goede spoor zet.

Menno Tamminga