Olympische Spelen leveren geen geld op

In tegenstelling tot wat wordt beweerd, kosten de Olympische Spelen het organiserende land alleen maar geld. Laat de belastingbetaler daarom niet voor de kosten opdraaien, schrijft Elmer Sterken.

De belastingbetaler moet niet opdraaien voor de kosten van de Olympische Spelen, want deze vallen altijd hoger uit dan beloofd en er zijn onvoldoende meetbare baten. Alle grootschalige sportevenementen, zoals de Olympische Zomer- en Winterspelen en het WK Voetbal, komen op nationaal niveau niet uit de kosten. De wereldeconomie ondervindt geen invloed van een groot maar toch lokaal evenement. Eenzelfde redenering geldt voor het nationale niveau. Uiteindelijk kan de organiserende stad erop vooruit gaan, maar op nationaal niveau wordt dit door verlies elders gecompenseerd.

Dit resultaat is niet alleen belangrijk voor de inwoners van Londen na de wereldaandacht en de beveiligings- en transportproblemen, maar ook voor toekomstige kandidaat-organisatoren, zoals Nederland met plannen voor de organisatie van de Olympische Spelen in 2028.

Soms lijkt er wel extra groei te ontstaan als men de cijfers van landen als China en Korea beziet. Maar het is eerder omgekeerd: landen die zich economisch gunstig ontwikkelen, stellen zich graag kandidaat. Ze gebruiken de groei van het decennium voorafgaand aan het evenement om de Spelen zeven jaar van tevoren binnen te halen en een uitbundige groei rond het evenement te tonen. Zonder het mega-evenement was de groei net zo goed uitbundig geweest.

Economen waarschuwen al lang voor het overdreven optimisme van kandidaat-organisatoren. Het staat inmiddels vast dat men de verwachte opbrengsten neigt te overschatten en de kosten bagatelliseert.

Een veelgehoord argument van de voorstanders is het aantrekken van toeristen gedurende en zelfs na het evenement. Maar zoals zo vaak is het effect van de wegblijvers daarin niet altijd meegenomen. Ook in Londen zijn in de laatste weken tot de Spelen de hotelkamers relatief zwak bezet en dalen de prijzen. Voorstanders van het organiseren wijzen op de gunstige gevolgen voor de werkgelegenheid, maar veelal zijn de tijdelijke uitzendkrachten gelijk na het evenement weer vertrokken en in het ergste geval verdwijnen de banen en blijven de uitzendkrachten werkloos als nieuwe inwoners achter. De door menige organisatieleiding geproduceerde kosten-baten-analyses zijn subjectief, achteraf veel te rooskleurig en daardoor weinig informatief voor het algemeen belang van de belastingbetaler.

Om de economische invloed te analyseren, moet onderscheid worden gemaakt tussen de lopende kosten en baten gedurende het evenement zelf en de investeringskosten voor het evenement begint. Door de sterke groei van de Olympische Zomerspelen in de economisch zwakkere zeventiger jaren waren de Spelen van Montréal in 1976 zelfs bedrijfseconomisch rampzalig. Inwoners van Montréal hebben nog jarenlang een speciale belasting moeten afdragen om de publieke schuld af te betalen.

Maar sinds 1984 zijn de lopende kosten eenvoudig te dekken uit de media-inkomsten en sponsorovereenkomsten. De kaartverkoop tijdens de Olympische Zomerspelen is bij wijze van spreken een mooi randverschijnsel om de ongeveer 4 miljard dollar aan lopende kosten voor de zestien dagen te dekken. De kosten van de investeringen in infrastructuur, zoals wegen, metro, vliegveld, stadions en de atletenverblijven bedragen een veelvoud en zijn vaak gevoelig voor het beruchte overoptimisme.

Voorstanders beroepen zich vaak op het effect van de vermenigvuldiger: iedere euro investeringen leidt tot een veelvoud aan bestedingen. Maar of dit echt zo is en of het alleen voor investeringen in stadions geldt, valt te bezien. En hoewel het IOC hergebruik van bijvoorbeeld de sportinfrastructuur als duurzaamheidseis hanteert, hoeft men maar in Athene of Beijing te gaan kijken om eenvoudig te constateren dat veel van de sportaccommodaties in onbruik geraakt zijn. Slechts in die gevallen waarin men de infrastructuur toch wilde bouwen, ook al zouden de Spelen geen doorgang vinden, is er een gunstig lokaal economisch effect. Een beroemd voorbeeld is het stadion van de Atlanta Braves dat in 1996 eerst als Olympisch stadion dienst deed.

Het organiseren van een grootschalig sportevenement heeft geen economische meerwaarde voor de belastingbetaler. Dat neemt niet weg dat men een dergelijk evenement vanwege andere publieke argumenten, zoals extra aandacht voor gezondheid en sport, wil organiseren. De zevenentwintigste Olympische Spelen in Londen zullen het Verenigd Koninkrijk niet uit de recessie halen.

Belastingbetalers dienen beschermd te worden voor investeringen in niet-rendabele infrastructuur. Uiteraard hebben particuliere organisaties soms wel belangen en proberen ze het particuliere verwachte gewin met publieke argumenten te omlijsten. Het organiseren van de Olympische Spelen is vanuit economisch perspectief een particulier initiatief in een complexe publieke omgeving van veiligheid en regelgeving. Het economische risico dient dan ook grotendeels door particuliere instituten en niet door belastingbetalers gedragen te worden.

Elmer Sterken is econoom verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.