In Syrisch Azaz wappert nu de zwarte vlag van de jihad, de strijd voor God

Het Syrische provinciestadje Azaz is in handen van rebellen van het Vrije Syrische Leger. Wie zijn deze jonge jongens? Ze vechten voor God, maar ze zijn niet van Al-Qaeda, bezweren ze.

Een tiener op soldatenkistjes, de kalasjnikov losjes om de schouder, steekt even zijn hoofd door het gat in de poort op de grens tussen Syrië en Turkije. Meestal is het goed volk dat op deze plek de grens naar Syrië oversteekt, journalisten vooral, maar je kunt nooit weten. De strijders van het Vrije Syrische Leger bemannen deze grenspost nu, sinds het regeringsleger plotseling zijn troepen terugtrok om de bataljons in de grote stad Aleppo bij te staan.

Een paspoort is in dit nieuwe Syrië nog niet nodig. Maar de naam en achternaam van iedereen die oversteekt gaat op een handgeschreven lijst van de nieuwe bureaucraten. „We controleren of er geen spionnen van Assad de grens overkomen om te kijken wie we zijn en met hoeveel we zijn”, zegt Omar Fara, voormalig grafisch student, nu een strijder met een gapende wond op zijn rechterbeen en grensbureaucraat.

Wie zijn deze jonge jongens die vechten tegen het regeringsleger van Syrië en steeds meer terrein winnen?

Aan de andere kant van de grens in Turkije lopen de hotels vol met agenten van buitenlandse geheime diensten die vrezen dat steeds meer strijders van Al-Qaeda en andere terreurgroepen uit Algerije, Libië en Irak zich mengen in de strijd. Van Tel Aviv tot Washington groeit de zorg over wie de macht en dus ook de (chemische en biologische) wapens van het wankelende regime krijgt.

Hier tussen de verlaten stempelposten, de zandzakken en uitgebrande autowrakken laten de strijders er geen twijfel over bestaan. „Er is hier geen Al-Qaeda. We komen allemaal uit Azaz”, zegt Khalid Hasoon (24) en wijst richting het provinciestadje verderop, de eerste stop naar Aleppo. Automonteurs, IT-studenten, zakenmensen, boeren. Syriërs. „Dit is onze eigen revolutie, we willen hier geen buitenlanders”, zegt Hasoon, die zelf is gedeserteerd uit het regeringsleger.

De strijd hier vlak aan de grens is vernietigend geweest. De grote weg naar het zuiden van Syrië ligt bezaaid met uitgebrande tanks, de geschutskoepels soms meters van de romp van het pantservoertuig geblazen.

Het centrum van het provinciestadje, 60.000 inwoners, getuigt van de kracht van het Vrije Syrische Leger. De centrale moskee is omringd door puin, waaronder vijf tanks van Russische makelij liggen begraven. De eenheid van het regeringsleger met 300 soldaten heeft wekenlang standgehouden vanuit deze strategische plek. Alle minaretten hadden scherpschutters, die een voor een naar beneden werden geschoten. Ten minste één droeg een paspoort uit Iran, zeggen ze hier.

Bovenop de moskee wappert nu de zwarte vlag die jihadisten vaak trots op zelfgemaakte filmpjes laten zien. „Dit is de vlag die nu op alle huizen wappert”, zegt een strijder met Hazem al-Azazi als nom de guerre. „Wij zijn jihadisten. We strijden voor God. Daar schaamt niemand zich hier voor. „Maar dat betekent niet dat we iets met Al-Qaeda te maken hebben. We willen niet dat Syrië een speelplaats wordt voor Al-Qaeda.”

De plaatselijke strijders van het Vrije Syrische Leger zijn verdeeld in twee groepen, legt een activist met de naam Jihad uit. „Zij die vechten voor het land, en zij die vechten voor God en hopen met de strijd tegen Assad in het paradijs te komen. Dat zijn jihadisten.”

Syrië kende nooit oppositiepartijen. „De enige ideologie voor een betere staat, is met God verbonden voor veel van deze jongens. Vóór de revolutie hadden we eigenlijk geen jihadisten in dit land. Het zijn gewoon simpele jongens. In het Arabisch zeggen we Jihad fisbeel Allah, om te vechten voor de gratie van God.”

Maar Al-Qaeda strijders kende Syrië wel voor de opstand die ruim 16 maanden geleden begon. Na de Amerikaanse invasie in het buurland Irak in 2003 werd Syrië een doorvoerhaven voor strijders die over de grens zelfmoordaanslagen pleegden. De regering van Bashar al-Assad kende hun namen, en hun wapens. Hij zette zelf de deur open voor de Al-Qaedastrijders die hem naar zijn eigen zeggen nu bestrijden.

Al maanden melden buitenlandse inlichtingendiensten als de CIA dat vanuit Turkije ook strijders uit Libië de grens oversteken. Het Libische verzet raakte in eigen land vooral bedreven in het opblazen van tanks.

„Er zijn strijders uit Libië en Algerije in dit deel van Syrië geweest”, zegt activist Jihad. „Maar ze opereren in speciale groepen en mengen zich meestal niet onder lokale strijders.”

Aan de andere kant van de grens maakt de Turkse regering zich intussen steeds meer zorgen over de veroveringen van nog een andere groep strijders: de Koerdische PYD die in het noordoosten van Syrië nu de Koerdische vlag heeft gehesen. Turkije ziet de PYD als een vleugel van de militante PKK die in Turkije al dertig jaar strijdt voor zelfbestuur.

Gisteren kwamen premier Erdogan, enkele ministers en de chefstaf van het leger bijeen om te praten over mogelijk militair ingrijpen in Syrië om te voorkomen dat de PKK vanuit de Syrische grensdorpen gaat opereren.

De strijd om Syrië kent weliswaar een doelwit, de zetel van president Assad. Maar de belangen van zijn tegenstanders zijn zo tegenstrijdig dat zijn val onmogelijk het einde van het conflict in Syrië betekent.