De ellende van de dag in eigen bloed

De Pont toont zowel het werk van Berlinde De Bruyckere als dat van haar stadgenoot Philippe Vandenberg. Er zijn verschillen, maar het is allebei grote kunst.

Ondanks het feit dat aandacht met een muisklik te verkrijgen is en de buitenwereld in je binnenzak past, stuit je soms nog op een hedendaagse kunstenaar die briljant is maar al bij leven vergeten werd. Zo iemand is de Belgische tekenaar en schilder Philippe Vandenberg. Geboren in 1952 in Gent, in een gezin van hondenfokkers, dacht Vandenberg lange tijd dat hij in de voetsporen van zijn vader zou treden.

Maar toen wandelde hij als dertienjarige per ongeluk het Museum voor Schone Kunsten in Gent binnen. Daar zag hij De Kruisdraging van Jeroen Bosch en zijn wereldbeeld kantelde. Vanaf dat moment tekende hij obsessief. Zoals Vandenberg later weleens zei tekende hij om zich te verweren tegen ruzies thuis, tegen een buitenwereld met kunstpausen waar hij zich geen raad mee wist, tegen het zeurende gevoel van ongeluk dat veel langer dan een lange zondagmiddag duurt. „Er bestaat geen gelukkige kunst”, is een uitspraak van hem uit 2008. Een jaar later benam hij zich het leven.

Het is dankzij beeldhouwster en tekenaar Berlinde De Bruyckere – een stadgenoot – dat nu voor het eerst in Nederland werk van Philippe Vandenberg te zien is. Op uitnodiging van De Pont in Tilburg heeft De Bruyckere een tentoonstelling samengesteld met werk van zichzelf en werk dat ze uit de nalatenschap van Vandenberg heeft opgediept. Uit duizenden tekeningen en schilderijen koos zij circa tien grote doeken en een veelvoud aan tekeningen en collages.

Als je meent, zoals Vandenberg, dat alle grote kunst over drama gaat, dan is wat nu in De Pont te zien is grote kunst.

Ten eerste is er het werk van De Bruyckere (1962). Zij is geen onbekende in Tilburg. Haar versneden, uitgemergelde, getormenteerde beelden – opgebouwd uit was, wol, hout, metaal, paardenhaar en textiel – zijn zeven jaar geleden op een indrukwekkende solo in De Pont te zien geweest. De kracht van De Bruyckere is dat ze ons een aftreksel van leven toont dat het tegendeel is van alles wat we ooit gewenst en gewild hebben. Ze verbeeldt niet het succes maar het falen. Niet het glanzen, maar het krampen. Niet het liefhebben, maar het hunkeren. Niet het geheel, maar dat wat daarna komt, versplinterd en uit elkaar gerukt. Dat doet ze met een ambivalent gevoel voor esthetiek. De Bruyckeres beelden zijn weerbarstig in hun schoonheid.

Haar nieuwe beelden in De Pont zijn abstracter geworden, maar bewegen zich nog steeds in het gebied van het sombere donker. In Liggende I, Liggende II (beide tussen 2009 en 2011 gemaakt) en ook in Lijfje (2009) zijn delen van skeletten te herkennen. Paars-blauwe aderen kronkelen als palingen in bleke was. Rafelige torso’s zijn op kussens genaaid, lichamen zonder hoofd maar met hier een arm, daar een been liggen opgebaard op hout.

Daaromheen zijn grote vierkante doeken van Vandenberg opgehangen. Het zijn atmosferische episodes, opgedragen aan de jong gestorven Oostenrijkse, expressionistische dichter Georg Trakl (1887-1914). De doeken lijken op het eerste gezicht totaal abstract, maar allengs schemert er iets van een landschap door het paars, roze, zwart en groen. Daar is het licht – een vlek die perspectief geeft, een heuvel die vorm krijgt, een sluier mist die licht vangt. Met een beetje fantasie zie je de gemankeerde wezens van De Bruyckere in dit universum rondwentelen en naar de hemel staren.

Die schilderijen zijn wiegeliedjes vergeleken bij het wagneriaanse drama dat zich in de wolhokken van De Pont afspeelt. Hier laat Vandenberg zich kennen als een furieuze graffitischilder, die in series houtskooltekeningen vat probeert te krijgen op alle varianten van doodsdrift en moordzucht.

Hier ook gaat Vandenberg in series tekeningen nauwgezet na welke martelingen de Bijbel voor welke heilige uitdacht. Hier schildert de kunstenaar met zijn eigen bloed „la misère du jour”. Niets is gepolijst bij Vandenberg, niets wordt mooier voorgesteld dan het is. Of het nu een fantastisch bijbelverhaal betreft, of de anekdotiek van een doordeweekse Gentse dag – de mens blijft de mens een wolf, gruwelijk, ruw, onaf, verbonden soms door een pijnlijke doornenkroon.

Daarin zit het grote verschil met De Bruyckere. Vandenbergs werk is schetsmatig uit principe, omdat de vorm volgens hem moet overeenstemmen met de inhoud. De Bruyckeres beelden zijn in vergelijking daartoe netjes en bijna lieflijk, ondanks hun pessimistische ondertoon en hun rafelige uiterlijk. Hoe mooi dat je niet kunt zeggen wie van de twee beter is.

Berlinde De Bruyckere en Philippe Vandenberg: Innocence is precisely: never to avoid the worst. T/m 28 okt. De Pont, Wilhelminapark 1, Tilburg. Di t/m zo 11-17 uur. Inl: depont.nl