Braaf zijn, dat kan altijd nog. Dus het hoeft niet

Mevrouw Del Giocondo is al eeuwen dood. Dat blijft zo, ook al is ze opgegraven. Ze heette Lisa en ze zou het model geweest zijn voor Leonardo da Vinci’s Mona Lisa. Met haar dooie schedel willen wetenschappers haar gezicht reconstrueren, om te kijken „of het lijkt”.

Wat als het niet lijkt? Niets. Misschien schilderde Da Vinci wel een portret van Lisa dat niet leek.

Wat als het wel lijkt? Ook niets. Dat kan toeval zijn.

Een goede schilder schildert wat híj ziet en dacht en voelde. Uiteindelijk is elk portret een zelfportret. Rembrandts Saskia van Uylenburgh verbeeldt Rembrandts verliefdheid. Denk ik. Picasso’s Huilende vrouw verraadt Picasso’s trots op het verdriet dat hij Dora Maar kon doen. Denk ik. En ik denk dat Da Vinci’s Mona Lisa de zuigende studie is van een broeierig lachje. Wat deed hem dat? Denken, kijken, denken. Gissen.

Mysteries zijn zo kwaad niet.

Oscar Jan Hoogland is een punkpianist. Een goeie, zijn spel jaagt mijn adem op, al begrijp ik niet wat ik hoor. Vanwaar ik zit, kan ik op zijn handen kijken en nog kan ik ’m niet volgen. Hij gaat trouwens op de toetsen tekeer als een slagwerker.

Dat komt van pas, want hij speelt samen met een legendarische slagwerker: Han Bennink. Die viert zijn zeventigste verjaardag met een concert in het Amsterdamse BIMhuis. ‘Han Bennink & Cats on Keys’ heet de avond, waarvoor hij zes pianisten uitnodigde. Ze verschillen sterk, met elke pianist voert Bennink een ander gesprek. En wij mogen meeluisteren.

Gaat de Japanner Chino Shuichi tekeer, dan kwettert Bennink bezeten terug. Speelt Ernst Glerum, eigenlijk bassist, zijn jazzy-kinky piano-improvisaties, dan veegt Bennink superieur over een trommeltje.

Bennink blijft zichzelf en elke keer is die zelf anders. Zijn hele grote voeten doen mee. Op de grond. Of op de drums, dan helt hij gevaarlijk achterover.

Nu maakt hij walvisgeluiden. En nu bespeelt hij de trapleuning. Niet slecht. Han Bennink kan het overal. Braaf zijn, dat kan altijd nog. Dus het hoeft niet.

Uitgerekend in de film Magic Mike bederft braaf zijn de zaak bijna. Je zou het niet verwachten, want het is een hilarische film over een stripteaseclub voor vrouwen. Ja, met mannen die uit de kleren gaan. En van Steven Soderbergh, Hollywood-wonderkind dat alles kan. Dit ook.

De zaal giechelt en joelt. Naast me roept iemand: „Lekker ding”, terwijl zich op het doek de eerste strip-act ontrolt, iets met regenjassen-met-weinig-eronder.

De film spitst zich toe op een dertigjarige man die zijn wilde haren verliest. Hij zoekt het geluk bij een soort moeder van 28 (niet boos maar verdrietig) en zegt de stripclub vaarwel. Ik geloof er niets van, maar de film duwt het me door de strot.

Ik kijk aan dat gepruttel voorbij. Het helpt. Die stripclub is goed getroffen, dat om te beginnen. In de jaren zeventig had je ook zoiets in Amsterdam. Het heette ‘Happy Girls’ en het ging er net zo aan toe. Stoere types, met een rugzak en bergschoenen, in smoking, cowboy-outfit of iets anders supermannelijks (ik herinner me een brandweerman, maar misschien heb ik dat verzonnen). Ze dansten uitstekend (vrouwen zijn een kritisch publiek) en alles ging uit. Veel klittenband, en de eerste keer dat we mannen in string zagen. Verschil tussen mannen- en vrouwenstriptease: voor mannen moet het wat klef, die kunnen qua erotiek maar weinig grapjes velen. Voor vrouwen moet het met pret. Die krijgen de zenuwen als het serieus wordt. Dat zit allemaal ook in Magic Mike.

En meer. Want er is die oudere stripper. Ze noemen hem Tarzan, vanwege zijn Tarzan-act. Het is een bijrol van worstelkampioen Kevin ‘Big Daddy Cool’ Nash, alleen dat al. Let op hem en je ziet spanning. Tarzan wringt zo veel mogelijk liederlijkheid uit het leven. Hij is veel leuker dan veel van die jonge gastjes. Die doen stout, maar o wee, wat zijn ze moralistisch. Geef mij maar zo’n gevaarlijk type waar mee te lachen valt. Dan maak je nog eens iets mee.

In het EYE filmmuseum draait de klassieker La ronde, uit 1950. Hij speelt zich af rond 1900. Crinolines. Simone Signoret. Gérard Philipe. Zo dierbaar. En die ene mooie zin, die blijft hangen: „J’adore le passé.” Ik ook. Tarzan. Han Bennink. Da Vinci. Ik ben dol op het verleden.