Aftellen naar de Spelen: de dienstplicht remt de talenten

De Israëlische judoka Ariel Zevi (tweede van links) rust uit tijdens een trainingssessie in kustplaats Netanya. Foto Reuters / Nir Elias

In een multimediaal museum in Tel Aviv voert een virtuele oude Griek een pepgesprek met een Israëlisch grietje in trainingspak. De strekking: iedereen kan een olympische medaille winnen – als je maar wilt.

En Israël wil winnen, toont deze hypermoderne tentoonstelling, die ‘de Olympische Ervaring’ heet en waarvoor kosten (3 miljoen euro) noch moeite zijn gespaard om de jeugd aan te zetten tot een zege. „Doe het voor het land”, klinkt het tussen de roterende platforms, gebolde beeldschermen, krachtmeters, startblokken, rookmachines en juichgeluiden.

De werkelijke Israëlische ervaring op de Olympische Spelen is een drama. In 1972 kwamen elf Israëlische sporters in München om het leven bij een Palestijnse aanslag. En Israël won in zestig jaar slechts zeven medailles. Een gouden, een zilveren en vijf bronzen, voor zeilen, judo en kanoën.
Zeven is toch „best veel”, zegt een suppoost van het museum, „vergeleken met andere landen in het Midden-Oosten tenminste”. Kijk naar Syrië (3 medailles) en Saoedi-Arabië (2) of Irak (1). Om maar niet te spreken over de Palestijnen (0).

Meestal vergelijkt Israël zichzelf echter met westerse landen, en (vanwege Arabische boycots) neemt het ook deel aan de Europese sportcompetities.
Vergeleken met Frankrijk (637 medailles), Groot-Brittannië (719) of Nederland (248) is zeven medailles weinig. Ook als je mee weegt dat Israël relatief klein is (ruim 7 miljoen inwoners) en jong (1948).

De Israëliërs die dat beseffen, komen met een keur aan verklaringen. Het meest gehoord: de overheid subsidieert de sport te weinig, de trainingsfaciliteiten zijn te slecht. Daarna: de militaire dienstplicht ondermijnt de talenten, de oorlogen leiden af. En tot overmaat van ramp: in Israël is de mentaliteit er niet een van topsporters en de begeleiding verloopt onprofessioneel.

Exemplarisch voor het amateurisme zijn volgens de museumsuppoosten de plakken chocolade die de Israëlische premier Netanyahu de 38 olympische sporters naar Londen meegaf. De premier maakte ook een tekening voor hen.

Netanyahu beloofde de sporters daarbij dat – hoe het ook zal aflopen – hun integriteit niet in twijfel zal worden getrokken, zoals de eerste Israëlische olympische sporters in 1952 overkwam. Die werden bij terugkeer uit Helsinki door een commissie ondervraagd omdat ze nul medailles hadden behaald.
Nóg een veeg teken: na de uitreiking van de chocolade scheurde de premier bij een publiek potje voetbal na enkele minuten al een pees en werd in het gips thuisgebracht.