Werknemers betalen nu de prijs voor het Franse patriottisme

Automaker Peugeot probeert grote verliezen te stoppen door hard te saneren. Duizenden werknemers in de Parijse voorstad Aulnay moeten vrezen voor hun baan. Zij vestigen hun hoop op president Hollande. „De politiek heeft de Franse industrie om zeep geholpen.”

Naar zijn werk komt Kamal Aarab (32) nog wel, maar de lol is eraf. Hij wijst naar een collega die met een terneergeslagen blik de fabriekspoort uit komt sjokken. „Voorheen maakten we grappen met elkaar. Nu is iedereen vooral met zichzelf bezig, alsof iedere dag de laatste is.”

In Aulnay-sous-Bois, in de noordoostelijke banlieue van Parijs, is de aangekondigde sluiting van de fabriek van PSA Peugot-Citroën hard aangekomen. PSA maakte op 12 juli bekend dat het 8.000 arbeidsplaatsen in Frankrijk zal schrappen, bovenop de 1.900 die vorig al jaar sneuvelden.

De fabriek in Aulnay produceert de Citroën C3. Maar juist op kleine gezinsauto’s zijn de winstmarges gering. Door tegenvallende verkopen draait de fabriek al meer dan een jaar op 75 procent van haar capaciteit. Dat kost PSA veel geld. De productie zal eind 2014 worden overgeheveld naar een zusterfabriek in het veertig kilometer westwaarts gelegen Poissy.

‘Aulnay’ nam vanaf 1973 geleidelijk de productie over van de historische Citroënfabriek in het Parijse 15e arrondissement. „De directie haalde de arbeiders direct uit Marokko in die dagen”, zegt de Mohammed Ben Saïd op het terras van een eettentje in een buitenwijk van Aulnay.

De wijk werd vanaf 1968 aangelegd om de toestromende werknemers een dak te bieden. De gepensioneerde Ben Saïd assembleerde destijds nog de DS en de CX – legendarische Citroënmodellen. Van die glorietijd valt in Aulnay weinig meer te herkennen. De grauwe flats vallen van ellende uit elkaar, meer dan helft van de luiken van het winkelcentrum is gesloten.

„De sluiting gaat me aan het hart”, zegt Ben Saïd. „Vanwege de jongens in de fabriek, maar ook vanwege de buurt.” Aulnay ligt in het hart van het door werkloosheid geplaagde Seine-Saint-Denis, een departement waar veel immigranten wonen.

PSA is hier niet alleen een van belangrijkste werkgevers, maar houdt tevens een niet geringe toeleveringsindustrie op de been. Alleen al rond Aulnay zijn er zo indirect nog eens 9.000 extra banen in het geding.

De vakbonden beraden zich nog op acties, maar vanuit het Elysée, zo’n vijftien kilometer zuidoostwaarts, wordt reeds met zwaar geschut geschoten. President François Hollande noemde de sluiting van de PSA-fabriek „onacceptabel”. Hij sprak van „leugenachtige” praktijken omdat de directie dit voorjaar nog zei dat fabriekssluitingen niet aan de orde waren.

Arnaud Montebourg, de heetgebakerde minister van Reïndustrialisatie, sprak van verkwisting van „nationaal erfgoed”. Ook vuurde hij een salvo af in de richting van de familie Peugeot, grootaandeelhouder van PSA. De familie zou 78 miljoen euro dividend hebben aangepakt terwijl toen al duidelijk was dat het concern in zwaar weer zou terecht komen.

„We staan open voor kritiek, maar er zijn grenzen”, stelde een getergde Thierry Peugeot, voorzitter van de Raad van Commissarissen in een reactie. Volgens Peugeot was het voor het eerst in vier jaar dat er dividend werd uitgekeerd.

Bestuursvoorzitter Philippe Varin riposteerde dat het bedrijf vooral de prijs betaalt voor zijn eigen patriottisme, want anders dan concurrent Renault, heeft PSA zijn productie slechts in beperkte mate naar lagelonenlanden verplaatst.

De spierballentaal van de nieuwe socialistische regering valt niet moeilijk te verklaren. De strijd tegen de teloorgang van de Franse industrie was een belangrijk thema in de verkiezingscampagne die Hollande die voorjaar tot in het Elysée bracht. Als de regering haar geloofwaardigheid wil behouden, kan ze dus moeilijk aan de kant blijven staan.

Maar de hoge toon die Hollande en Montebourg aanslaan, staat in schril contrast met de juridische middelen die de Franse staat ter beschikking staan. Anders dan bij Renault, is de overheid geen aandeelhouder van PSA. Als Peugeot de fabriek wil sluiten, kan dat. Het hoogst haalbare voor de regering is het bedingen van zo gunstige mogelijke voorwaarden. Zo wil de regering dat het fabrieksterrein in Aulnay een industriële herbestemming krijgt.

Anders dan in 2009, toen PSA nog kon rekenen op een lening van 3 miljard euro, kan er van een substantieel financieel hulppakket dit keer geen sprake zijn. „Het geld is er simpelweg niet”, zegt Christian de Boissieu, president van de Conseil d’analyse économique, een belangrijk adviesorgaan van de regering.

Volkswagen, PSA’s voornaamste Duitse concurrent, floreert. Waar ging het mis met Frankrijks grootste autofabrikant?

Analisten wijzen op de kwakkelende Europese automarkt en de focus op goedkope modellen, maar ook op de trage internationalisering en de povere prestaties van PSA op de Chinese markt. „De strategische blunders zijn evident, maar ze verklaren niet alles”, zegt Bernard de Montferrand, oud-ambassadeur in Berlijn en co-auteur van het boek France-Allemagne over de verschillen tussen economische politiek in Duitsland en Frankrijk „Het ontbreekt de Franse arbeidsmarkt aan flexibiliteit en de loonkosten zijn relatief hoog. Tien jaar geleden was het nog omgedraaid, toen gold Duitsland als de zieke man van Europa.”

De crisis in de Franse auto-industrie is volgens velen illustratief voor een wezenlijker probleem. Alleen al tijdens de regeerperiode van Nicolas Sarkozy gingen 355.000 banen verloren in de Franse industrie. Volgens een schatting van Le Monde zullen komende tijd zo’n 80 bedrijven ontslagrondes aankondigen. 60.000 banen zouden op de tocht staan.

„De Franse politiek heeft consequent geprobeerd de Franse industrie om zeep te helpen”, zegt de liberale econoom Nicolas Baverez, columnist van het weekblad Le Point. Hij wijst op de 35-urige werkweek, ingewikkelde regelgeving en hoge sociale lasten. Frankrijk moet weer concurrerend worden, meent Baverez, te beginnen bij het verlagen van de werkgeverslasten.

Pierre Moscovici, de minister van economie, verklaarde dat een verlaging van de sociale premies „niet langer taboe” is. De vraag blijft hoe de regering dat gaat financieren nu zij Sarkozy’s ‘TVA social’ vorige week met veel tamtam begraven heeft. Sarkozy wilde een daling van de werkgeverslasten betalen met een hogere BTW.

Voor de auto-industrie is een strategie op Europees niveau volgens regeringsadviseur De Boissieu onontbeerlijk. „De Chinezen produceren inmiddels hun eigen auto’s, andere opkomende economieën zullen ongetwijfeld volgen.”