Waarom symbolische besnijdenis wél kan

In Duitsland woedt een juridische strijd over jongensbesnijdenis, sinds een rechter die verbood. De jurist Wouter Limborgh pleit voor een praktische kijk op religieuze grondrechten.

Redacteur Sociale Wetenschap

Minderheden in Europa houden er gewoonten op na waar veel landgenoten van gruwen. Zoals: vrouwen uitsluiten van politieke functies, veelwijverij en eerwraak; kwakzalverij en hekserij; besnijdenis van meisjes en van jongens. Voor zover de gebruiken niet bij wet verboden zijn, gaan er op gezette tijden stemmen op om dit wél te doen, met een beroep op de rechten van vermeende slachtoffers. Vaak maken deze gewoonten deel uit van een godsdienstige of andere culturele traditie. Vraagt respect voor de vrijheden van het individu – een gekoesterd westers beginsel – om beperking van de culturele vrijheden van minderheden?

Onder koloniale verhoudingen viel de afweging steeds uit ten gunste van de moraal en het rechtsgevoel van Europese bestuurders. Zij bepaalden aan welke tradities de ‘inheemsen’ wel of niet mochten vasthouden. Zo verboden de Engelsen in 1829 in Brits-Indië (zelf)verbranding van weduwen (sati) bij uitvaarten en maakten Nederlanders in 1894 een formeel einde aan het koppensnellen op Borneo. Na de onafhankelijkheid onderschreven de meeste ex-koloniën de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, waardoor zulke verboden een basis kregen in het volkenrecht.

Sindsdien is de wereld opgeschud door postkoloniale migratiestromen en zien westerlingen de ‘inheemsen’ van toen terug in eigen land. Daar voegen zij zich bij andere minderheden, die er al eeuwen wonen. De nieuwe sociale werkelijkheid is een multiculturele. Wetgevers en rechters moeten piketpalen slaan in dit geaccidenteerde terrein. Zij moeten steeds een afweging maken tussen internationaal erkende rechten van het individu en groepsrechten, zoals beleving van de eigen cultuur.

In juni deed een rechtbank in Keulen uitspraak over de rechtmatigheid van jongensbesnijdenis. Een arts had op verzoek van een islamitisch echtpaar hun vierjarige zoon besneden. Twee dagen na de besnijdenis kreeg de jongen te maken met nabloedingen. Zijn moeder bracht hem naar de eerste hulp. Het Openbaar Ministerie diende daarop een aanklacht in tegen de arts. Het kantongerecht sprak de arts vrij, omdat de ouders toestemming gegeven hadden om hun zoon te besnijden.

De arrondissementsrechtbank van Keulen bevestigde de vrijspraak, maar om een andere reden: er zou een onduidelijke juridische situatie bestaan rond besnijden. De rechter zei ook dat besnijdenis op religieuze gronden moet worden beschouwd als mishandeling, omdat die inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van het kind. Dit is niet zo als de besnijdenis op medische gronden wordt uitgevoerd, zei hij. De voltrekking van het ritueel is verboden, aldus de rechter, zolang het kind niet in staat is om ermee in te stemmen. Met andere woorden: de tijdelijke beperking van de godsdienstvrijheid van de ouders weegt voor de Keulse rechter minder zwaar dan de definitieve inbreuk die door de besnijdenis wordt gemaakt op de rechten van het kind.

Een conferentie van veertig orthodoxe rabbijnen in Europa, bijeen in Berlijn, noemde deze strafbaarstelling van jongensbesnijdenis ‘een aanval op de godsdienstvrijheid’ en ‘een fundamenteel probleem voor het voortbestaan van de Joodse gemeenten in Duitsland’.

Bondskanselier Merkel waarschuwde vorige week dat Duitsland ‘voor gek staat’ als de Keulse uitspraak niet wordt teruggedraaid. Donderdag nam de Bondsdag met grote meerderheid een motie aan waarin de regering wordt verzocht met een wet te komen die jongensbesnijdenis toelaatbaar verklaart, mits die medisch verantwoord wordt uitgevoerd.

In het wetsontwerp moeten drie grondrechten worden afgewogen – lichamelijke integriteit van het kind, het ouderlijke zorgrecht en vrijheid van godsdienst. De vraag is aan de hand van welke uitgangspunten wetgevers deze afweging moeten maken.

In oktober vorig jaar promoveerde de jurist Wouter Limborgh aan de Erasmus Universiteit op het proefschrift Culturele vrijheid in het strafrecht. Daarin behandelt hij ‘de toelaatbaarheid en strafbaarheid van culturele feiten die onder het bereik van de Nederlandse strafwet vallen’. Als voorbeelden van zulke ‘culturele feiten’ (gebruiken, tradities) bespreekt hij eerwraak, meisjes- en jongensbesnijdenis en polygamie.

Voor de beoordeling van deze tradities gaat Limborgh te rade bij de Amerikaanse rechtsfilosoof Martha Nussbaum en de Indiase econoom Amartya Sen. Samen staan deze twee de zogenoemde capability approach voor. Ze beschouwen ‘mogelijkheden’, zoals die om oud te worden en deel te kunnen nemen aan het economische, sociale en politieke leven, en vrijheden, zoals die ‘om te zijn wie je bent’, als basisvoorwaarden voor een menswaardig bestaan. De toelaatbaarheid van culturele feiten, schrijft Limborgh, is afhankelijk van de gevolgen ervan voor de vrijheden van mensen. Om te bepalen of een specifiek cultureel feit toelaatbaar is, moet de culturele vrijheid van de pleger worden afgewogen tegen de vrijheden van de slachtoffers.

Op grond van deze overwegingen doet Limborgh een aantal aanbevelingen. Hij vindt eerwraak ontoelaatbaar, net als de meest ingrijpende vormen van meisjesbesnijdenis en ook een in Nederland veel voorkomende vorm van jongensbesnijdenis, de periah. Daarbij wordt niet alleen de voorhuid, het velletje dat uitsteekt buiten de penis, verwijderd, maar het hele stuk huid dat de eikel bedekt. Maar verrassend genoeg pleit hij ervoor om polygamie uit het Wetboek van Strafrecht te halen en om de allerlichtste vorm van besnijdenis van meisjes, ook wel symbolische besnijdenis genoemd, wél toe te staan in Nederland. Bij deze variant krijgt een meisje een prikje in de voorhuid van haar clitoris. Limborgh: „Deze vorm van besnijden is weinig ingrijpend en heeft geen blijvende schadelijke gevolgen, mits de ingreep wordt uitgevoerd onder medisch toezicht.”

Volgens de jurist komt de symbolische besnijdenis tegemoet aan „de wens van mensen om te kunnen zijn wie ze zijn”. „En je voorkomt met legalisering dat mensen ingrepen laten doen op plekken waar het niet zichtbaar is.” Zoals keukentafels en het grootouderlijk huis in het land van herkomst.