Toeristisch aangapen

Hoewel ik bijzonder graag op vakantie ga, heb ik altijd enigszins moeite met de rol van toerist. Een toerist zijn betekent meestal: verdwalen, voor alles te veel betalen en vol interesse moeten vragen: „En als die streng touw eenmaal bewerkt is, hoe wordt er dan precies een mand van gemaakt?” Wát moeten we doen? Een

Hoewel ik bijzonder graag op vakantie ga, heb ik altijd enigszins moeite met de rol van toerist. Een toerist zijn betekent meestal: verdwalen, voor alles te veel betalen en vol interesse moeten vragen: „En als die streng touw eenmaal bewerkt is, hoe wordt er dan precies een mand van gemaakt?”

Wát moeten we doen? Een beetje springen? En daar wil zij voor betalen?

Een paar jaar geleden was ik in Tanzania om research te doen voor een boek. Omdat ik dacht dat mijn hoofdpersoon misschien naar een traditionele Masai-dansavond zou gaan, wilde ik graag een traditionele Masai-dans zien. Ik reed op dat moment met een gids door het noorden van Tanzania, en op mijn verzoek stopte de gids bij een willekeurig Masai-dorpje langs de weg om iemand uit zijn hut te trommelen. De man droeg een glimmend jaren 80 trainingsjack over zijn roodgeblokte doeken en snapte er niets van. Ik spreek Swahili noch Maa, maar de lichaamstaal en het geproest van de nieuwsgierige dorpsgenoten vertelden alles: „Sorry, maar wát moeten we doen?” „Een beetje dansen, gewoon springen enzo.” „Springen?” „Dat kan ik niet, hoor.” „Ja, weet ik veel, zij wil ervoor betalen.” „Echt? Oké, laten we 50 dollar vragen.” „Waarom zou je daar in godesnaam voor willen betalen?” „Geen idee, maar ik spaar voor een Xbox.” „Goed, straks allemaal op een rijtje springen en dat ene slaapliedje zingen, afgesproken?” Uiteindelijk waren er zes mannen en vrouwen verzameld. Tijdens het op en neer springen had de helft de slappe lach. Ik stond erbij en keek ernaar en heb me nog niet eerder zo belachelijk gevoeld.

Ik dacht dat het Grote Toeristische Aangapen enkel voorkwam bij een bezoek aan inheemse stammen, een krokodillenfarm of een lichtelijk ongepast buikdansoptreden tijdens het avondeten. Deze vakantie heb ik echter een ander soort toerisme gezien: de rijkdomsafari.

Ik bezocht St. Tropez met het idee dat er in het stadje een handvol jachteigenaars in witte polo’s geflankeerd door vijftigjarige vrouwen in Prada-jurken zouden rondlopen, en verder een heleboel families op slippers die opgewonden naar elkaar zouden fluisteren: „Was dat Brigitte Bardot? O nee, het was zomaar een grijs oud vrouwtje. Geweldig he?” De realiteit was echter: in de haven ligt een rij krankzinnig dure schepen, zwart-, grijs- en witglimmende strijkijzers die allemaal met hun voluptueuze kont naar de kade liggen. Op die achterdekken zitten de eigenaars, of hun vrienden en familie: een stel dat thee drinkt, drie zestienjarige meisjes die op witte ligstoelen aan het zonnen zijn. Het bizarre is: op de kade staan allemaal groepjes toeristen die hier fanatiek foto’s van maken. Er bevindt zich maar een paar meter tussen de twee groepen, maar niemand laat dit merken: er is geen contact. Aan de ene kant wordt er aangegaapt, aan de andere kant is men stoïcijns rijk.

Wordt dit een nieuwe tak van toerisme? Komen er ooit georganiseerde excursies naar Monaco? („Kijk jongen, deze mensen verplaatsen zich dus met een Hummer, maar voor hen is dat gewoon normaal.”). Wie hield dit in stand – de mensen op de kade of die op de boten? Wie was het aapje en wie de bezoeker? Waarom kon je nergens een blikje kaviaar kopen om naar de boten te gooien?

Nadat ik minutenlang daar had gestaan, liep ik uiteindelijk weer door – het tafereel gadeslaan voelde ook behoorlijk ongemakkelijk.