Te vroeg op de wereld

De technologie stelt artsen in staat om premature baby’s steeds vroeger ter wereld te laten komen. Tegenwoordig worden ze al vanaf 24 weken behandeld. De afdeling neonatologie van het AMC neemt elk jaar bijna 600 baby’s op, van wie de meesten te vroeg zijn geboren.

Jongens zijn sterker dan meisjes. Maar niet op de afdeling neonatologie. Hier heeft een baby die te vroeg geboren wordt, een grotere kans te overleven als het een meisje is. Neonatoloog Anton van Kaam bevestigt wat zijn vakgenoten al een paar jaar weten maar wat leken telkens verbaast: een meisje dat met 24 weken wordt geboren, heeft net zo’n grote overlevingskans als een jongen die met 25 weken geboren wordt. En voor premature baby’s is elke week van levensbelang.

De afdeling neonatologie van het AMC neemt elk jaar 550 tot 600 baby’s op. De meesten zijn te vroeg geboren en zullen vechten voor hun leven in een couveuse. Ze krijgen antibiotica tegen infecties en glucose om aan te sterken. Soms worden ze geopereerd. Omdat de anus nog dicht zit of de slokdarm. Of omdat de buikwand defect is. Sommige baby’s krijgen beademing en pijnstillers.

Voor alle premature baby’s geldt dat de longen, de darmen en de maag nog niet rijp zijn en de huid nog niet af. Het mooie, zegt Van Kaam, is dat alles versneld rijpt en gaat functioneren zodra de baby uit de baarmoeder is. „Ze passen zich onmiddellijk aan, aan de wereld.” Alleen blijven de longen vaak te klein waardoor het kind later grote kans heeft op astma.

Er was op zijn afdeling in 2010 even discussie over de meisjes en hun overlevingskansen, vertelt Van Kaam, maar ze besloten al snel: we maken geen onderscheid op grond van geslacht. „Sinds dat jaar behandelen we alle te vroeg geboren baby’s vanaf 24 weken. Mits ze 500 gram wegen, hoewel dat geen absolute grens is. Heel soms kan het bij een baby van 400 gram.” Opvallend in dit verband is de Nederlandse abortusgrens – tot 24 weken zwangerschap mogen ouders zelf beslissen de zwangerschap te beëindigen. Een voldragen zwangerschap duurt 40 weken.

Als de behandeling in de couveuse al een tijd gaande is, en er ontstaan problemen bij de baby, weegt het geslacht wél mee bij beslissingen. Van Kaam: „We kijken steeds of medicijnen en ingrepen opwegen tegen het lijden en de kansen van het kind. Hoe veel weegt het? Zijn er ontstekingen? Is het een meisje, dat meer kansen heeft dan een jongen?”

Het zijn dilemma’s waar zijn afdeling niet dagelijks maar wel een paar keer per maand voor staat: doorgaan of stoppen? Van baby’s die in de 24ste of 25ste week worden opgenomen, wil de arts expliciet horen dat de ouders dat willen. „De kans dat het kind alsnog overlijdt of zware handicaps krijgt, is groot. We vinden dat ouders het recht hebben om ons advies voor behandeling naast zich neer te leggen.”

En toch komt dat bijna nooit voor. Dat ouders zeggen: stop maar, haal maar uit de couveuse. Van Kaam: „Ze willen zo graag dat het kind leeft.” Al herinnert hij zich één vader, een uitzondering, die vroeg: zal mijn kind later kunnen voetballen met vriendjes? Nee, had Van Kaam geantwoord. Zal hij überhaupt een zelfstandig leven kunnen leiden? Nee, was het antwoord. Dan hoeft het niet, hadden die ouders besloten. „Ik heb daar respect voor.” Maar meestal willen de ouders koste wat kost doorgaan en zijn het de dokters die beslissen wanneer het echt geen zin heeft om verder te behandelen. „Dat is zwaar. Maar we moeten als arts professioneel blijven. We kunnen niet toelaten dat het ons te veel raakt.”

De medische technologie stelt artsen in staat prematuur geborenen steeds vroeger in leven te houden. Toch sterft in Nederland gemiddeld 15 procent van de baby’s die voor de 32ste week werden geboren.

De vreugde is groot als het wél lukt een kind te redden. „We volgen de kinderen de eerste paar jaar van hun leven. Als er dan gelukkige ouders de gang op komen lopen met een blije peuter, dan geeft dat veel voldoening.”

Een enkele keer komt er een zwaar gehandicapte peuter op bezoek, van wie het team misschien denkt: hadden we dit kind wel moeten behandelen? Bitter, zegt Van Kaam. „Dan kom je op de discussie over ‘kwaliteit van leven’.” In de Verenigde Staten verloopt die anders dan hier – daar zijn de criteria simpeler: wordt het kind bijvoorbeeld doof en blind, dan kán dat reden zijn om te stoppen met behandelen. Maar anders niet. Mildere afwijkingen vinden Amerikanen geen reden om te stoppen. „Hier zijn we genuanceerder, er is meer ruimte voor twijfel over wat een ‘goed leven’ is.”

Frederiek Weeda