Historische mislukkingen

Op 20 juli was het 65 jaar geleden dat Nederland de eerste politionele actie begon, liever gezegd de oorlog tegen de Republiek Indonesië om daar rust en orde te herstellen, de democratie te vestigen, nog meer nobele doelstellingen te verwezenlijken. We beleven een historisch kroonjaar. Dat is altijd een goede gelegenheid om nog eens na te gaan wat er toen precies gebeurd is. Op de avond van de dag zelf heeft de televisie de documentaire Nederland valt aan van Ad van Liempt uitgezonden. Een paar dagen daarvoor had de Volkskrant al een in een vuilnisbak gevonden foto gepubliceerd van drie Indonesiërs die door Nederlandse soldaten waren neergeschoten. Daarop volgden een foto met nog meer geëxecuteerden en boze brieven van lezers die schreven dat er toen geen oorlogsmisdaden, of ‘excessen’ waren begaan. De geschiedenis herleeft. Maar hoe?

Over de wandaden van Nederlandse militairen is het essentiële gezegd. Begin 1949, tien maanden voor de soevereiniteitsoverdracht, kwam reserveluitenant Ko Zweeres in De Groene Amsterdammer met de eerste onthullingen. Met zijn samenvatting in deel twaalf van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog is dr. L. de Jong voorlopig de laatste. Maar nu ontstaat opnieuw het verlangen naar een historisch onderzoek, misschien uitgevoerd door het NIOD, het Instituut voor Militaire Historie en het KITLV. Het lijkt me geen goed idee. Ongetwijfeld vallen er hier en daar nog dergelijke foto’s op te sporen. Maar wat is de bewijskracht? Degenen die ze hebben gemaakt, zijn gestorven of in de tachtig. Wie kan zich nog met enige nauwkeurigheid de omstandigheden van toen herinneren?

Bovendien bestaat de kans dat er nu verkeerde conclusies uit worden getrokken. De Nederlandse strijdkrachten telden toen een 160.000 man. Natuurlijk zijn er onder dit grote aantal soldaten geweest die zich aan de excessen hebben schuldig gemaakt. Dat weten we. Wat kapitein Westerling op Celebes heeft gedaan, is genoegzaam bekend, en zo zijn er meer gruwelijke gebeurtenissen geweest. Het Bondowoso-transport op 23 november 1947 waarbij tientallen krijgsgevangenen in een trein zijn gestikt; het bloedbad in Rawagede op 9 december 1947 dat pas vorig jaar als zodanig is erkend, waarna de nabestaanden van de slachtoffers van Nederland een schadevergoeding hebben gekregen.

We zijn hier niet bepaald snel met het erkennen van schuld. Dat is een zware tekortkoming van de Nederlandse politiek en de publieke opinie. Maar dat is iets volstrekt anders dan nu te doen alsof onze expeditionaire macht destijds louter of overwegend uit oorlogsmisdadigers bestond. Wie een leger van deze omvang voor jaren naar de andere kant van de wereld stuurt, zou moeten beseffen dat excessen onvermijdelijk zijn. In iedere zo omvangrijke groep gaat een zeker aantal over de schreef. Dat is een statistisch gegeven. Hier gaat het nu om de vraag, wie ervoor verantwoordelijk zijn geweest dat dit zeker voor Nederlandse verhoudingen enorme leger deze uitzichtloze oorlog heeft moeten voeren. Dat is de politieke kant van dit historische vraagstuk.

In zijn documentaire heeft Van Liempt een beeld gegeven van de politieke verhoudingen na de bevrijding. Alweer moeten we niet onderschatten met welke gigantische vraagstukken de eerste politieke leiders in 1945 in het chaotische, deels verwoeste Nederland te maken kregen. En het is ook niet verwonderlijk dat er troepen naar ‘de Oost’ werden gestuurd om het leven van vele duizenden landgenoten te redden. Maar zoals Van Liempt in zijn boek Nederland valt aan (in mei van dit jaar verschenen) beschrijft, was dat niet het doel van de expeditie. In grote trekken ging het erom, onder welke nieuwe staatkundige constructie dan ook, het Nederlandse gezag te herstellen. In grote trekken wilde Nederland feitelijk een restauratie.

Daarbij werden achtereenvolgende kabinetten gesteund door een grote meerderheid van de publieke opinie. ‘Indië verloren, rampspoed geboren’ en ‘Hebt u er ook genoeg van?’, waarmee Soekarno werd bedoeld, zijn populaire leuzen uit die tijd. De vijf jaar politiek isolement wreekte zich. Den Haag weigerde met Soekarno te praten, hoewel hij de onbetwiste leider van de Indonesische revolutie was. Waarschuwingen, de beste adviezen uit het bevriende buitenland werden in de wind geslagen. In Den Haag groeide intussen de verwarring over een politiek die van de ene mislukking naar de volgende voerde. Dat is door Van Liempt nauwkeurig opgeschreven en in de documentaire gedramatiseerd. Maar Van Liempt is een particuliere onderzoeker. Als het NIOD onderzoek zou willen doen naar een kwestie die kennelijk nog altijd de hoogste actualiteit heeft, dan beveel ik de politieke verantwoordelijkheid voor de ‘Indonesische kwestie’ aan.

Even ernstig is het dat we er niets van hebben geleerd. In 1949 werd West Nieuw-Guinea van de soevereniteitsoverdracht uitgesloten. Tegen de zin van Djakarta in zou Nederland de Papoea’s rijp maken voor democratisch zelfbestuur. Ook deze onderneming heeft tot voor Nederland beschamende toestanden geleid. Tenslotte hebben we ons vliegdekschip de Karel Doorman nog naar het bedreigde gebied gestuurd. Vergeefs. In 1962 was het afgelopen. Een halve eeuw geleden. Ook een goed onderwerp voor een verhelderende historische documentaire.