Het D66-partijprogramma "1 miljoen Nederlanders heeft klachten van depressieve aard en ontvangt daarbij komende medicatie."

In de aanloop naar de verkiezingen op 12 september controleert next.checkt beweringen uit verkiezingsprogramma’s. Vandaag D66, dat het programma ‘En nu vooruit’ presenteerde. next.checkt bekijkt drie beweringen over uiteenlopende onderwerpen.

1 miljoen Nederlanders heeft klachten van depressieve aard en ontvangt daarbij komende medicatie.”

D66 wil het ‘medicaliseren van pech’ vermijden. Zij wil bij depressieve klachten liever scholing en coaching ondersteunen dan medicijnen. „Het is een feit dat 1 miljoen Nederlanders klachten van depressieve aard heeft en de daarbij komende behandeling en medicatie ontvangt.”

Volgens de grootschalige Nederlandse Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS) hebben jaarlijks ongeveer 547.000 mensen tussen de 18 en 65 jaar een depressieve stoornis. Het Trimbos-instituut heeft ook jongeren en ouderen betrokken in hun onderzoek. Volgens hen ligt het totale aantal mensen dat jaarlijks wordt gediagnosticeerd met een depressieve stoornis op 797.000.

Uit de GIP-databank over medicijnengebruik blijkt dat in 2011 961.350 mensen een anti-depressivum gebruikten. Grofweg kun je dit omschrijven als 1 miljoen. Tussen 2007 en 2010 fluctueerde het gebruik tussen de 917.000 en 935.00.

De groep die medicijnen slikt, is groter dan de groep met een officiële depressieve stoornis. Het is niet onderzocht hoeveel mensen alleen voor depressieve klachten anti-depressiva krijgen. Anti-depressiva worden bijvoorbeeld soms ook voorgeschreven bij angststoornissen. Maar het is een nogal grijs gebied, want mensen met angststoornissen hebben vaak ook weer klachten van depressieve aard.

Dat – afgerond – 1 miljoen mensen anti-depressiva gebruiken klopt. Hoeveel van deze medicijngebruikers officieel geen stoornis, maar wel depressieve klachten hebben, is niet helemaal te bepalen. Daarom beoordelen wij de stelling als grotendeels waar.

„Het medisch verstrekken van drugs voorkomt veel criminaliteit.”

D66 is voorstander van het medisch verstrekken van harddrugs binnen een afkickprogramma. „Het medisch verstrekken van drugs voorkomt ook veel criminaliteit.” De overheid verstrekt methadon en heroïne aan langdurig heroïneverslaafden en cannabis aan pijnpatiënten. D66 heeft het in de context over harddrugs, hier kijken we dus naar.

Behalve dat het bezitten van harddrugs op zich al verboden is, lokt drugsgebruik andere vormen van criminaliteit uit. Diefstal en geweldpleging bijvoorbeeld. Volgens het rapport ‘Verslaving: Maatschappelijke gevolgen’ dat het Trimbos Instituut dit jaar uitbracht, is het causale verband tussen drugsgebruik en criminaliteit in het algemeen niet eenduidig. Wel is er een causaal verband tussen verwervingscriminaliteit – diefstal om in de drugsbehoefte te voorzien – en andere criminaliteit.

Tussen 1998 en 2001 vond een groot experiment met heroïneverstrekking plaats. Een groep verslaafden bij wie eerdere behandeling met onder meer methadon niet hielp, kreeg bij een kliniek heroïne. Het aantal ‘dagen illegale activiteiten’ nam bij deze groep sterk af, van gemiddeld ruim 13 dagen per maand naar 2 dagen per maand, blijkt uit het onderzoeksverslag ‘Heroïne op medisch voorschrift’. Uit tal van onderzoeken sindsdien is meermalen een positief effect op criminaliteit gebleken van methadon en heroïne op medisch recept. Uit de Nationale Drugsmonitor 2011 blijkt dat tussen 2003 en 2010 het totale percentage veelplegers dat drugsproblemen heeft constant afnam, van 72,2 procent naar 66,6 procent.

In 2005 gingen stemmen op om ook cocaïne- en amfetamineverslaafden van drugs te gaan voorzien. Maar onderzoeken hiernaar zijn niet doorgezet. Wat het effect hiervan zou zijn, is dus ook niet bekend.

Heroïneverslaafden ondernemen inderdaad minder illegale activiteiten als zij op recept heroïne kunnen krijgen. Of dit ook voor andere harddrugsverslaafden geldt, is echter niet onderzocht. Daarom beoordelen wij de algemeen geformuleerde stelling van D66 als grotendeels waar.

‘Een kapotte spaarlamp kan de grens niet meer over.’

Het moet makkelijker worden om grondstoffen door Europa te vervoeren, betoogt D66. Meer Europese samenwerking op het gebied van recycling zou een hoop dubbel werk kunnen schelen. Regelgeving houdt dit tegen. Zo haalt de partij de spaarlamp erbij: „Nu kan een spaarlamp die kapot is de grens niet meer over, terwijl één fabriek voor heel Europa deze lampen zou kunnen recyclen”. Kunnen spaarlampen inderdaad de grens niet over?

Volgens de Europese EVOA-richtlijn, die de in- en uitvoer van alle afval regelt, moet je voor transport van bepaalde afvalstoffen een vergunning krijgen van beide landen. Voor relatief ongevaarlijke stoffen is een groene lijst, voor gevaarlijke chemische stoffen een oranje. In spaarlampen zit een beetje kwik, een stof op de oranje lijst. Zou je dat kwik eruit halen en als poeder transporteren, dan zijn de voorschriften relatief streng.

Maar de kapotte spaarlamp als geheel staat niet op een lijst en kun je volgens het ministerie van Natuur en Milieu probleemloos over de grens vervoeren. En dat gebeurt ook: alle kapotte spaarlampen, jaarlijks zo’n 12 miljoen, worden volgens Stichting LightRec, die in Nederland de inzameling van onder meer spaarlampen regelt, geëxporteerd naar Duitsland en België om daar in fabrieken te worden recycled.

Anders is het voor de export van ‘zeldzame aardmetalen’. Dat is in Europa nog niet goed geregeld, zegt Jeroen Bartels, woordvoerder van LightRec. In veel elektronica, ook in het fluorescerende poeder van de spaarlamp, zitten deze zeldzame metalen, zoals terbium (Tb) en europium (Eu), waarvan terugwinning de moeite waard is. „De enige fabriek in Europa die dat kan, staat in Frankrijk. Maar de regelgeving om zulke metalen over de grens te vervoeren, staat nog in de kinderschoenen.” Voor spaarlampen, zegt Bartels, is het nu juist wel goed geregeld. Next.checkt beoordeelt de bewering daarom als onwaar.