De schutter is nooit wie je denkt dat hij is

Mannen die opeens op menigten gaan schieten, zijn vaak niet eenzaam en nemen ook geen wraak. Wel zijn ze vaak depressief en suïcidaal. Snelle conclusies zijn fout, vindt David Cullen.

U hebt de tijd gehad om na te denken over de gruwelijke schietpartij in een bioscoop in Colorado. U bent bestookt met ‘feiten’ en meningen over de motieven van James Holmes. U hebt waarschijnlijk een idee waarom hij het heeft gedaan. U heeft waarschijnlijk ongelijk.

Ik heb dat met schade en schande geleerd. In 1999 woonde ik in Denver en behoorde ik tot de eerste golf verslaggevers die op de middag van de aanslag neerstreek op Columbine High School. Ik maakte deel uit van de journalistieke meute die de mythen schiep waar we nu nog mee leven. We probeerden een antwoord te vinden op de brandende vraag naar het waarom en we probeerden dat antwoord veel te vlug te vinden. Ik heb me inmiddels tien jaar in Columbine verdiept en we weten allemaal wat daar gebeurd is, nietwaar? Twee eenzame outcasts namen wraak op de macho’s door wie ze meedogenloos waren gepest.

Daar bleek niets van te kloppen.

Maar de media trokken al die conclusies in de eerste 24 uur en dus worden ze nu door veel mensen als feit geaccepteerd. Het echte verhaal is verontrustender. En leerzamer.

Telkens als ik op een high school, college of een conferentie over de veiligheid op scholen spreek, houd ik de dagboeken omhoog die werden achtergelaten door de daders, Eric Harris en Dylan Klebold. Het publiek schrikt van de dingen die het hoort. De daders van massamoord lijken meestal in niets op ons beeld van hen. Ze zijn bepaald geen verzinnebeelding van het pure kwaad. Ze zijn gecompliceerd.

Harris hield een jaar lang een soort dagboek bij, hoofdzakelijk gericht op zijn plan om zijn school op te blazen en overlevenden met zware geweren neer te maaien. Klebold hield twee jaar een traditioneler dagboek bij, waarin hij een grillige reeks tegenstrijdige en zwaar depressieve tienerangsten spuide en vanaf de allereerste bladzijde serieus met zelfmoord worstelde.

Mijn publiek is nooit verbaasd over het dagboek van Harris. Dat is één en al haat. Hij was een koelbloedige psychopaat in de klinische betekenis van die term. Hij had geen empathie, geen achting voor menselijk leed of voor het menselijk leven.

Wel een openbaring is het dagboek van Klebold. Tien bladzijden worden in beslag genomen door tekeningen van pluizige reuzenharten. Sommige beslaan een hele pagina, andere dansen rond in blije plukjes, met ‘I LOVE YOU’ eroverheen gestempeld. Hij was blind van woede. Hij had één primair doelwit voor zijn woede. Niet de macho’s, maar hijzelf. Wat vond hij zichzelf een weerzinwekkend wezen. Geen vrienden, geen liefde, geen mens dat zich bekommerde om hem of wat er van zijn ellendige leven terechtkwam. Objectief gezien was daar niets van waar. Maar zo zag hij het wel.

Het is een gangbare middelbareschoolkwaal, tot in het extreme doorgetrokken. Psychologen hebben een eenvoudige naam voor deze toestand: depressie. Veel mensen verbazen zich hierover. Depressieve mensen zien er verdrietig uit, maar dat is van de buitenkant gezien. Natuurlijk zijn ze verdrietig; waarschijnlijk zijn ze de hele dag door meedogenloos op de huid gezeten, door de enige persoon ter wereld wiens mening hun het dierbaarst is – zijzelf.

Psychologen omschrijven depressie als naar binnen gekeerde woede. Als die woede op enig moment wordt omgekeerd en zich naar buiten richt, dan is het uitkijken geblazen.

Dylan Klebold was een extreem en zeldzaam geval. Het merendeel van depressieve mensen is alleen een gevaar voor zichzelf. Maar het is even waar dat van het minieme aantal mensen dat een massamoord pleegt, de meesten geen psychopaten als Eric Harris of zware geesteszieken als Seung-Hui Cho op Virginia Tech zijn. Veel vaker zijn ze suïcidaal en zwaar depressief. In de baanbrekende studie over schoolschutters van de geheime dienst uit 2002 werd vastgesteld dat 78 procent van de schutters voor de massamoord suïcidale gedachten had gehad of zelfmoordpogingen had gedaan.

Op het ogenblik heeft de politie waarschijnlijk al veel materiaal over James Holmes verzameld. Misschien heeft ze zelfs al een duidelijk beeld van zijn motieven. Het is van wezenlijk belang dat ze deze informatie volledig deelt met het publiek, maar net zo wezenlijk dat ze veel of alles achterhoudt zolang ze haar onderzoek doet. Verklaringen van vrienden, familie en overlevenden van het bloedbad zijn essentieel en getuigen zijn zeer beïnvloedbaar. Op korte termijn moet informatie geheim worden gehouden om de zuiverheid van hun verhalen veilig te stellen. Geen zeven jaar, zoals bij de dagboeken van Columbine, maar misschien wel een paar weken.

De komende paar dagen zult u gebombardeerd worden met het ene motief na het andere. U moet geen enkel detail geloven. Holmes is al als eenling omschreven. Pas daarmee op. Vrijwel elke schutter krijgt dat etiket opgeplakt, omdat bij het publiek de overtuiging leeft dat dit het profiel is en omdat mensen die de schutter amper kennen het napapegaaien tegen elke journalist die ze tegenkomen. In het rapport van de geheime dienst is vastgesteld dat dit meestal niet waar is.

Weersta de verleiding om details voortijdig te extrapoleren. Telkens als u bijna klaar denkt te zijn voor een antwoord op het brandende waarom, richt u dan op het beeld van Dylans harten. De moordenaar is zelden wie hij lijkt.

Dave Cullen is de schrijver van Columbine en werkt nu aan een boek over homoseksuele militairen. ©The New York Times.