Bericht uit het parallelle Keynesiaanse universum

Griekenland stevent inmiddels af op een economische krimp van 7 procent, bij een begrotingstekort van 9 procent.

Dat betekent dat óf de Griekse regering niets is opgeschoten met bezuinigen, privatiseringen en belastinginning. Of het betekent dat het concept van bezuinigen in een depressie misschien toch niet zo’n goed idee is.

Ook in Spanje valt nu vrijwel dagelijks een nieuw lijk uit de kast. De spiraal van bezuinigen en krimpen slaat ook daar toe.

En dan komt toch die vraag opzetten: was dit wel de juiste aanpak? Stel nu dat Europa bevolkt was geweest door overtuigde Keynesianen. Zou het dan vanaf november 2009, toen de Grieken met hun eerste onheilstijding van een dubbel zo hoog begrotingstekort kwamen, anders gelopen zijn?

Laten we eens kijken.

José Krugman, de voorzitter van de Europese Commissie in dit parallelle Keynesiaanse universum, zou de vertegenwoordigers van de overige eurolanden bij elkaar hebben geroepen, en hebben gezegd:

‘Geen probleem, heren en dame. We kunnen de Grieken nu gewoon een miljard of veertig toestoppen, pro deo zogezegd, tegen belofte van beterschap. En u weet: een Griek een Griek, een woord een woord. Dat is beter dan nu een crisis bovenop de kredietcrisis te creëren want anders gaat alles rotten in de eurozone en zijn we straks honderden, of zelfs duizenden miljarden kwijt. Denk aan de Grote Depressie,’

De topman van de ECB, Jean-Claude Krugman, nam daarna het woord: ‘Kijk, heren en mevrouw Krugman, het probleem is er een van uiteenlopende concurrentiekracht binnen de eurozone. Dat kunnen we in het zuiden proberen op te lossen met het risico van een neerwaartse spiraal van bezuiniging en depressie. Maar ik kan ook de inflatie wat opschroeven met ruim gebruik van de geldpers, waarbij ik op een magische manier bekokstoof dat de geldontwaarding in de noordelijke landen zo’n twee procent hoger is dan in het zuiden. Dan zijn we in een jaar of zes, zeven allemaal weer zo’n beetje op gelijke hoogte. Want denk aan de Grote Depressie.’

Vervolgens stond de de Duitse minister van Financiën, Wolfgang Krugman, op en zei:

‘Ach, wij Duitsers hebben wel wat over. Weten jullie wat? Ik stimuleer onze binnenlandse vraag met een wat hoger begrotingstekort, en als de rest van het noorden nu gewoon op zijn minst de boel de boel laat met zijn budget , dan kunnen die zuiderlingen wat meer aan ons allen verkopen. Goed voor onze economische groei, goed voor de hunne. En dan groeien we en geldontwaarden we onszelf zomaar aan onze schoenveters uit dit moeras!’

Toen het gejuich hierover was uitgestorven onderbrak Olli Krugman, de financiële man van de Europese Commissie, het gezelschap in wat zo te zien een zeldzame aanval was van voorzichtigheid. ‘Gaan de financiële markten dat wel pikken? Ik heb wel eens gehoord dat we wel een geloofwaardig plan moeten hebben voor de afbouw van al die oplopende tekorten en staatsschulden op de middellange termijn. Want anders hebben we straks alsnog een probleem.’

Er viel een korte stilte. Tja, tja, mompelden alle aanwezige Krugmans bezorgd voor zich uit, waarbij hier en daar de woorden ‘haasje’ en ‘pineut’ te ontwaren vielen. Totdat de wakkere Wouter Krugman zijn vinger opstak: ‘Maar zei Keynes daar niet iets over?’

Verdomd, zei Jean-Paul Krugman, ik bel mijn broer Paul in Amerika, die weet er alles van. Hij sprak daarop zachtjes in zijn Blackberry, knikte herhaaldelijk, en legde zichtbaar opgelucht neer.

‘Geen punt gelukkig. Paul zei dat Keynes voortaan heeft gezegd dat we niet alleen op de lange termijn, maar ook op de middellange termijn toch dood zijn.’

Maarten Schinkel