Schulden regio's bedreigen Madrid

Op de financiële markten groeit het wantrouwen over de vraag of bepaalde Spaanse regio’s hun schulden wel kunnen afbetalen. Allemaal zitten ze diep in de schulden, met bovenaan Catalonië. Een crisis daar kan het hele land meesleuren. Het einde is in zicht van ‘café para todos’.

Terwijl minister Luis de Guindos van Economische Zaken vorige maand onderhandelde over Europese noodhulp voor de wankele Spaanse bankensector, stuurde zijn politieke baas hem een sms’je. „Hou vol, we zijn de vierde macht in Europa. Spanje is Oeganda niet”, maande de premier zijn bewindsman.

Toch zijn er delen van Spanje die overeenkomsten vertonen met Oeganda. Althans, op de financiële markten. De regio Catalonië betaalt momenteel rentes die overeenkomen met die van het Afrikaanse land. Voor Catalaans schuldpapier dat over vier maanden afloopt, werd gisteren op de secundaire markt een rente van 19 procent gevraagd. Ter vergelijking: Oeganda geeft driejarige staatsobligaties uit tegen ‘slechts’ 15,4 procent.

De torenhoge Catalaanse rente tekent het wantrouwen van beleggers. Zij gaan ervan uit dat de regio zijn hoge schuldenlast (47,8 miljard euro, 20,7 procent van het regionale bbp) al in de zeer nabije toekomst niet of slechts gedeeltelijk kan afbetalen.

En de relatief welvarende regio in het Noordwesten van Spanje is niet de enige. Vrijdag kondigde de regering een noodfonds van 18 miljard euro aan, waaruit noodlijdende regio’s kunnen lenen. Binnen enkele uren meldde Valencia zich. Een dag later Murcia. En de verwachting is dat de komende dagen en weken nog zeker vijf regio’s (behalve Catalonië ook Castilla-La Mancha, Balearen, Extremadura en Canarische Eilanden) zullen volgen.

Tijdens de vastgoedhausse gebruikten veel regioregeringen de huizenmarkt als fiscale melkkoe. De regionale spaarbanken (cajas) bulkten van het geld en leenden goedkoop miljarden uit voor prestigeprojecten als vliegvelden en kunstpaleizen. Het niveau van de openbare voorzieningen steeg en overal werden meer ambtenaren aangenomen. Toen de vastgoedzeepbel vijf jaar geleden uiteenspatte, begonnen de bestuurders aanvankelijk nog meer te lenen. Maar nu willen de markten hun begrotingstekorten en schulden niet langer financieren.

De geldnood van de Spaanse regio’s leidde de afgelopen dagen tot vragen bij beleggers. Is 18 miljard wel genoeg? Waar komt dat geld precies vandaan? En kan een centrale regering die zelf bijna bankroet gaat wel failliete regio’s redden? De Europese bankensteun bracht al geen rust. De vrees is dat Spanje nu afstevent op een volledige ‘redding’ door Europa.

De liquiditeitssteun voor de regio’s gaat gepaard met harde eisen. Madrid wil meer inzicht in de boekhouding en gaat strikt toezien op het financieel beleid. Zoals ook de trojka van ECB, IMF en Europese Commissie ‘geredde’ eurolanden onder curatele stelt. Omdat de regio’s verantwoordelijk zijn voor onder meer zorg en onderwijs, komt dit neer op verdere versobering van de verzorgingsstaat.

De begrotingsdiscipline zal op verzet stuiten bij de regioregeringen. Allereerst in Catalonië, dat geregeerd wordt door regionationalisten die traditioneel tegen elke bemoeienis van Madrid zijn. Maar ook in de regio’s die bestuurd worden door Rajoys eigen centrum-rechtse Volkspartij (PP). Lokale PP-baronnen vrezen de electorale gevolgen van Rajoys bezuinigingsdrift. Het leidt ertoe dat bijvoorbeeld de regiopresident van Galicië recentelijk afzegde voor een gezamenlijk optreden met zijn partijgenoot Cristóbal Montoro. Deze begrotingsminister is hét gezicht van de bezuinigingen. Niemand wil graag met hem op de foto.

De eurocrisis zet ongekende druk op het staatsbestel dat er kwam toen het land eind jaren zeventig weer een democratie werd. Onder generaal Franco, die de macht greep tijdens de Burgeroorlog (1936-’39) en regeerde tot zijn dood in 1975, kende Spanje een sterk gecentraliseerd landsbestuur. Regionale talen en identiteiten werden door de rechtse dictator hardhandig de kop ingedrukt. Tijdens de overgang naar de democratie vonden links en rechts een middenweg tussen centralisme en federalisme. De prelude van de nieuwe Grondwet uit 1977 noemt Spanje „een onbreekbare eenheid”, maar geeft de verscheidene „historische nationaliteiten” en regio’s ook recht op meer zelfbestuur.

Aanvankelijk maakten Baskenland, Galicië en Catalonië – de meest eigengereide regio’s, die door Franco het hardst werden onderdrukt – hier vooral gebruik van. Maar al snel wilden ook andere delen van Spanje meer autonomie. Het antwoord van de politiek was: ‘Café para todos’, koffie voor iedereen. Elke regio zou gelijk behandeld worden.

Het luidde een decennialang proces van sluipende decentralisatie in. Een trend die niet verwonderlijk is. Spanje was eeuwenlang niet veel meer dan een verzameling koninkrijkjes en prinsdommen. Hogesnelheidslijnen en autosnelwegen hebben zelfs de meest afgelegen delen van het land ontsloten. Populaire cultuur is er net zo veramerikaanst als in de rest van Europa. Maar wie veel door Spanje reist, ontdekt al snel dat het land eigenlijk niet bestaat.

De verschillen binnen Spanje kunnen groter zijn dan die tussen Griekenland en, bijvoorbeeld, Finland. In de taal, de cultuur, het eten of het klimaat is die verscheidenheid een verrijking. Maar de populaire cartoonist Aleix Saló plaatst er in zijn meest recente stripboek over de crisis een kanttekening bij. Hij vraagt zich af „of we erg veranderd zijn ten opzichte van onze samenleving van Iberische stammen, elk gezeten op hun eigen ommuurde heuvel, met hun eigen opperhoofd, constant met elkaar in conflict en eraan gewend dat moderne ontwikkelingen van buitenaf komen?”

De manieren waarop de verscheidene landsdelen hun welvaart verdienen, verschillen ook sterk. Sommige kennen een moderne industrie of hoogwaardige dienstverlening, terwijl andere steunen op landbouw of toerisme. In het koude Noorden heerst meer belastingdiscipline en een strengere arbeidsmoraal dan in het lossere Zuiden. Met een Bask maak je dagen van tevoren per e-mail een afspraak; bij een Andalusiër kun je altijd op de bonnefooi langskomen.

De interne tegenstellingen vertonen daarmee overeenkomsten met die in de eurozone. De crisis noopt tot meer centralisatie en samenwerking, maar de geldnood zet de onderlinge solidariteit juist onder druk. ‘Café para todos’ werkte zolang het goed ging met de economie. Nu wil niemand opdraaien voor de rekening.

Veel Spanjaarden bepleiten dat politici allereerst in eigen vlees gaan snijden. De vier bestuurslagen – naast de centrale staat en regio’s zijn er provincies en gemeenten – overlappen elkaar deels. Het leidt tot veel bureaucratie en bestuurlijke inefficiëntie. En een overdaad aan ambtenaren en politici. Politici vinden het echter moeilijk zichzelf weg te bezuinigen.

De regering houdt vol dat ze de geldnood van de regio’s zelf kan lenigen. Markten denken daar anders over en duwen Spanje richting een volledige ‘redding’. Van eurolanden die een beroep doen op Europese noodleningen eist de trojka dat ook de belangrijkste oppositiepartij de opgelegde hervormingen en bezuinigingen onderschrijft. Als links en rechts het in Spanje al eens kunnen worden over een grote staatshervorming, zal dat onder druk van buitenaf zijn.