Migelien leeft voort in het Rijks

In 2010 liet Migelien Gerritzen anderhalf miljoen euro voor het Rijksmuseum na. Uit haar fonds wordt de opleiding van jonge restaurateurs betaald. Particuliere fondsen worden voor culturele instellingen steeds belangrijker.

Er zijn niet vaak verjaardagsfeestjes in het restauratie-atelier van het Rijksmuseum. Maar in de herfst van 2009 had Migelien Gerritzen haar familie, goede vrienden en buren uitgenodigd voor een rondleiding door de werkplaats waar de kunstwerken van het museum worden gerestaureerd. Op deze plek wilde ze laten zien waaraan ze haar geld zou nalaten. Hier wilde ze haar naasten ook vertellen dat dit mogelijk haar laatste verjaardag was.

Haar man Jan van Oosten bladert door een stapel foto’s van de bijeenkomst. Rondom een restaurator die werkt aan een schilderij staat een groep mensen. Migelien staat in het midden. „Gebruik deze foto’s maar niet in de krant”, zegt hij. „Zo zag ze er niet uit, zo moet ze niet herinnerd worden. Ze zat toen al onder de prednison.” Negen maanden later, in juni 2010, zou Gerritzen overlijden. Ze was bijna 56 jaar.

Ze liet anderhalf miljoen euro na aan een fonds op haar naam voor het Rijksmuseum. Dat is zelfs voor het Rijksmuseum, dat bekendstaat als succesvol fondsenwerver, een uitzonderlijk bedrag. Het Rijksmuseum heeft 36 fondsen op naam, de waarde varieert van enige tienduizenden euro’s tot soms enkele tonnen.

Met het Migelien Gerritzen Fonds kan het Rijksmuseum de opleiding van jonge restauratoren financieren en expertmeetings en masterclasses organiseren waar kennis kan worden gedeeld met collega’s in binnen- en buitenland.

Gerritzen is een voorbeeld van onbekende particulieren die voor musea en culturele instellingen van groot belang zijn. Particulieren met wie de instellingen zorgvuldig jarenlang een diepgaande relatie opbouwen. „Wij zijn daar in Nederland nog niet zo goed in”, zegt Eva Kalis. Zij is bij het Rijks verantwoordelijk voor fondsenwerving bij particulieren. „Maar met de huidige bezuinigingen zijn culturele instellingen veel afhankelijker van particulieren als Migelien.”

Gerritzen en Van Oosten kwamen regelmatig even langs op de Hobbemastraat op het kantoor van het Rijks. Voor het verjaardagsfeest had Kalis niet alleen de rondleiding georganiseerd, er was ook een rijsttafel ’s avonds bij Van Oosten en Gerritzen thuis.

Een dag voor haar overlijden had Kalis nog contact met Gerritzen, om afscheid te nemen. Tot op haar sterfbed wilde Gerritzen voeling houden met haar fonds. „Zo was ze”, zegt Van Oosten „Alles tot in detail. Zelfs het laatste glaasje wijn voor haar overlijden koos ze met zorg uit. Het moest een Meursault zijn.”

Gerritzen is niet een bekende naam uit het bedrijfsleven of afstammeling van een bekende familie. Ze werkte in het Amsterdamse notariaat en later bij de Nederlandse Vereniging van Banken. Van haar vader (ambtenaar op Economische Zaken) erfde ze een deel van het familiekapitaal. Zijn voorouders hadden een vermogen opgebouwd in Nederlands-Indië en uit verkoop van Gerritzen Assurantiën, dat ooit aan de Paulus Potterstraat (om de hoek van het Rijksmuseum) in Amsterdam was gevestigd.

Op dat vermogen heeft ze goed gepast. Hoewel haar weduwnaar haar omschrijft als „een grote levensgenieter”, was ze scherp op haar beleggingen. „Ze kon enorm uitvallen naar haar bankiers als ze die aan de telefoon had en meende dat ze niet de juiste beleggingen deden.”

Jarenlang was Gerritzen op zoek geweest naar een doel voor haar vermogen. In 1999 was er bij haar borstkanker geconstateerd, kort nadat ze Jan van Oosten als haar nieuwe liefde had leren kennen. Ze genas. Maar ze kreeg ook te horen dat ze niet meer zou herstellen als de tumoren binnen vier jaar terug zouden komen. De tumoren kwamen terug.

In de wetenschap dat ze nog een paar jaar te leven had, ging ze met Van Oosten op zoek naar een bestemming voor haar familiekapitaal. Ze had geen kinderen.

„Ze wilde een verschil maken”, zegt Van Oosten. De vraag was alleen hoe. Op een grote interesse voor kunst had hij haar destijds nog niet kunnen betrappen. „Ik had dat veel meer”, zegt hij. „Ik heb haar mee gesleurd naar musea. Misschien dat ik zo haar interesse heb gewekt.”

Zij besloot dat ze haar geld wilde nalaten aan iets dat met kunst te maken had. Hij wilde liever iets met onderwijs. Gerritzen en Van Oosten kwamen Eva Kalis van het Rijks in 2007 tegen op een bijeenkomst van een bank. Daar ontstond het idee om het restauratieatelier van het museum te gaan ondersteunen.

„Migelien en Jan zijn hier toen langs geweest”, vertelt Robert van Langh, hoofd van de restauratieafdeling van het Rijksmuseum. „We hebben samen uitgezocht wat we konden doen.”

De eerste activiteiten zijn nog tijdens haar leven georganiseerd. „Expertmeetings, workshops en masterclasses op topniveau”, vertelt Van Langh, „bijvoorbeeld over het conserveren van pastels uit de 18de eeuw en over het maakproces en de restauratie van deuren van 17de eeuwse kabinetten. Wij willen onze kennis delen. Met musea in Nederland, maar ook in het buitenland. Alleen dankzij particuliere gelden kunnen wij nog jonge restauratoren hier in huis opleiden.”

Voor de bijeenkomsten nodigde Van Langh haar ook uit. „Dan reageerde ze beschroomd. Ze was nogal onder de indruk van de kennis die zich dan verzamelde. Liever kwam ze hier af en toe zomaar op bezoek. Maar ik vond dat ze erbij hoorde.”

Ook Van Langh had een speciale band met haar. Over enkele maanden promoveert hij op het onderzoek naar bronzen renaissancebeelden. Dankzij haar fonds kan hij zijn dissertatie ook in boekvorm publiceren.

Volgend jaar, na de heropening van het Rijks, organiseert Van Langh twee grote internationale congressen van drie dagen. „Dan komen experts van andere topmusea in de wereld, van het Metropolitan in New York, van de National Gallery in Londen. De echte top van de restauratoren is dan hier in Amsterdam, ongeveer 300 tot 350 mensen. En die melden we allemaal: U bent hier dankzij Migelien Gerritzen.”

Zo leeft ze voort. Gerritzen wilde per se haar naam aan het fonds geven. „Daarin was ze heel anders dan ik”, zegt Van Oosten. „‘Je gaat twee keer dood’ , zei ze. ‘Een keer als je sterft, en één keer als iedereen je is vergeten.’”

Drie maanden voor haar overlijden verraste Gerritzen het Rijksmuseum nog één keer. Bewust had ze gekozen om haar geld niet te bestemmen voor aankopen, zoals veel particulieren wel doen. Maar op bezoek op de jaarlijkse kunstbeurs Tefaf hoorde ze dat het Rijksmuseum al vier jaar graag het 16de-eeuwse terracottabeeldje De Profeet van Balaam wilde aanschaffen, maar er steeds niet uitkwam met de verkoper. „Hoeveel kom je tekort?”, vroeg ze . Ze legde het verschil bij, 40.000 euro, zonder nadenken. „Zo was ze”, zegt Van Oosten. „Heel spontaan. Ik schrok ervan.”

Bij de heropening van het Rijksmuseum volgend jaar zal De Profeet van Balaam te zien zijn, als pronkstuk van de zaal over de Italiaanse Renaissance. Met een bordje met de naam van de financiers: de BankGiro Loterij, een anonieme financier en Migelien Gerritzen.

Daan van Lent