Klagen

Amsterdam, Waterlooplein. Grijs weer, twee grijze mannen in grijze jassen hebben elkaar alweer een tijd niet gezien.

„Hoe is ’t nu met je?”

„Hm, ik mag niet klagen.”

„Nou, als je niet mag klagen, moet je ’t ook niet doen.”

„Hm, ik bedoel eigenlijk, ik heb niks te klagen.”

„Nou, als je niks te klagen heb, moet je ’t ook niet doen.”

„D’r zijn d’r anders genoeg, die hebben altijd wel wat te klagen.”

„Ja, nou begin je toch te klagen.”