In Spanje wil niemand voor de crisis opdraaien

Spanje is van oudsher een land van grote regionale verschillen. Maar nu het economisch slecht gaat, breekt die versnippering het land op.

Correspondent Zuid-Europa

Madrid. Terwijl minister Luis de Guindos van Economie vorige maand onderhandelde over Europese noodhulp voor de wankele Spaanse bankensector, stuurde zijn politieke baas hem een sms’je. ‘Houd vol, we zijn de vierde macht in Europa. Spanje is Oeganda niet’, maande premier Mariano Rajoy zijn bewindsman.

Toch zijn er delen van Spanje die overeenkomsten vertonen met Oeganda. Althans, op de financiële markten. De regio Catalonië betaalt momenteel rentes die overeenkomen met die van Oeganda. Voor Catalaans schuldpapier dat over vier maanden afloopt, werd gisteren op de secundaire markt een rente van 19 procent gevraagd. Ter vergelijking: Oeganda geeft driejarige staatsobligaties uit tegen ‘slechts’ 15,4 procent.

De hoge Catalaanse rente tekent het wantrouwen van beleggers. Zij gaan ervan uit dat de regio haar hoge schuldenlast (47,8 miljard euro, ofwel 20,7 procent van het regionale bbp) in de zeer nabije toekomst niet, of slechts gedeeltelijk, kan afbetalen.

De relatief welvarende regio in het noordwesten van Spanje is niet de enige. Tijdens de vastgoedhausse in Spanje gebruikten veel regioregeringen de huizenmarkt als fiscale melkkoe, die extra miljarden opleverde voor vliegvelden, kunstpaleizen of betere openbare voorzieningen. Toen de vastgoedzeepbel vijf jaar geleden uiteenspatte, begonnen bestuurders massaal te lenen om de terugvallende inkomsten op te vangen. Nu willen de markten hun tekorten en aflopende schulden niet langer financieren. Zeker zes van de zeventien regio’s raken aangewezen op noodsteun van de centrale regering.

De eurocrisis zet daarmee ongekende druk op het Spaanse staatsbestel, dat er kwam toen het land eind jaren zeventig weer een democratie werd. Onder generaal Franco, die de macht greep tijdens de Burgeroorlog (1936-’39) en regeerde tot zijn dood in 1975, kende Spanje een sterk gecentraliseerd landsbestuur. Regionale talen en identiteiten werden door de rechtse dictator hardhandig de kop ingedrukt.

Tijdens de overgang naar de democratie vonden links en rechts een middenweg tussen centralisme en federalisme. De prelude op de nieuwe grondwet uit 1977 noemt Spanje ‘een onbreekbare eenheid’, maar geeft de verscheidene ‘historische nationaliteiten’ en regio’s ook recht op meer zelfbestuur. Aanvankelijk maakten vooral Baskenland, Galicië en Catalonië – de meest eigengereide regio’s, die door Franco het hardst onderdrukt werden – hier gebruik van. Maar al snel wilden ook andere regio’s meer autonomie. Het antwoord van de politiek was: ‘Café para todos’, koffie voor iedereen. Elke regio zou gelijk behandeld worden. Er volgde een decennialang proces van sluipende decentralisatie.

Spanje was eeuwenlang niet veel meer dan een verzameling koninkrijkjes en prinsdommen. Hogesnelheidslijnen en autosnelwegen hebben ook de meest afgelegen delen van het land ontsloten en de populaire cultuur is overal veramerikaanst. Maar wie veel door Spanje reist, ontdekt al snel dat het land eigenlijk niet bestaat.

In taal, cultuur, eten of klimaat is die verscheidenheid een verrijking, maar de populaire cartoonist Aleix Saló plaatst er in zijn meest recente stripboek over de crisis ook een kanttekening bij. Hij vraagt zich af „of we erg veranderd zijn ten opzichte van onze samenleving van Iberische stammen, elk gezeten op hun eigen ommuurde heuvel, met hun eigen opperhoofd, constant met elkaar in conflict en eraan gewend dat moderne ontwikkelingen van buitenaf komen?”

Twee vriendinnen, de een uit Salamanca en de ander uit Burgos, voerden ooit een discussie over de juiste uitspraak van ‘morcilla’ (bloedworst). Hierop ontspon zich een breder debat in welk van de twee steden nu het zuiverste Castilliaans (Spaans) wordt gesproken, wat het juiste recept voor bloedworst is en waar de mooiste kathedraal staat. En dan liggen deze twee steden nog in dezelfde regio.

De bronnen van inkomsten verschillen ook sterk per regio. Sommige kennen een moderne industrie of hoogwaardige dienstverlening, andere steunen op landbouw of toerisme. In het koude noorden heerst meer belastingdiscipline en een strengere arbeidsmoraal dan in het zuiden. De Spaanse tegenstellingen vertonen daarmee overeenkomsten met die in de eurozone. De crisis noopt tot meer centralisatie en samenwerking, maar de geldnood zet de solidariteit onder druk. ‘Café para todos’ werkte zolang het goed ging met de economie, maar nu wil niemand de rekening betalen.

De centrumrechtse regering-Rajoy wil de decentralisatie terugdraaien. De liquiditeitssteun voor noodlijdende regio’s gaat gepaard met harde eisen. Madrid wil inzage in de boekhouding van de regio’s en zal strikt toezicht houden op het financieel beleid. Zoals de trojka van ECB, IMF en Commissie ook ‘geredde’ eurolanden onder curatele stelt.

Omdat de regio’s verantwoordelijk zijn voor zorg en onderwijs komt dit neer op nog meer bezuinigingen op de verzorgingsstaat. Dit stuit op verzet van de regionale partijbaronnen, die in meerderheid tot Rajoy’s eigen partij behoren.

Veel Spanjaarden vinden dat politici in eigen vlees snijden. De vier bestuurslagen – naast de centrale staat en regio’s zijn er ook nog provincies en gemeenten – overlappen elkaar deels. Het leidt tot veel bureaucratie, bestuurlijke inefficiëntie en een overdaad aan ambtenaren en politici.

Maar politici zijn er slecht in om zichzelf weg te bezuinigen. Om het staatsbestel werkelijk op de schop te nemen, zou de geest van de transitie moeten terugkeren. Maar die is in het gepolariseerde Spanje ver weg.

De regering hield gisteren vol dat ze de geldnood van de regio’s zelf kan ledigen. Markten denken daar anders over. Zij duwen Spanje nu richting een volledige ‘redding’. Van eurolanden die een beroep doen op Europese noodleningen eist de trojka dat ook de belangrijkste oppositiepartij alle hervormingen en bezuinigingen onderschrijft. Als links en rechts het in Spanje al eens worden over een grote staatshervorming, zal dat onder druk van Europa zijn.