Hout van de Finnen, turnspullen van de Zwitsers, meel en brood uit VS

Het is niet de eerste keer dat Londen de Zomerspelen mag houden. De voorbereidingen waren in 1948 heel anders. Vlak na de oorlog was er geen geld voor pracht en praal.

Met enige verbazing en een beetje jaloezie bekeek Lionel Price onlangs de kleedkamer van de Britse basketbalploeg. Handdoeken, shirts, sokken en schoenen slingerden er rond. „Ik had één rood short en één wit hemdje”, herinnert de 85-jarige oud-basketballer zich. „Daar trainde ik in, en ik speelde er in.” En voor de officiële opening kreeg hij een blazer – „die heeft mijn zoon nu” – en een baret – „geruild met een Amerikaan voor zijn panamahoed”.

Meer was er niet voor de sporters van 1948, de vorige keer dat Londen de Spelen organiseerde. Het waren de „Austerity Games”, de Spelen van de Eenvoud.

Want misschien wordt er nu geklaagd over de 9,3 miljard pond die de Spelen in een tijd van economische crisis kosten, 64 jaar geleden was het Verenigd Koninkrijk failliet na een zes jaar durende oorlog en de sterlingcrisis van 1947. Overheidsgeld was elders nodig, en de 732.286 pond die de Spelen kostten, werden extravagant gevonden en dus geleend.

„Dit waren de doe-het-zelf Spelen. Ze werden niet georganiseerd, maar bij elkaar geschraapt van wat er maar gevonden, aangepast of geleend kon worden. Er was gewoon geen geld voor de pracht en praal die we tegenwoordig met de Spelen associëren”, schrijft Janie Hampton, auteur van The Austerity Olympics.

Maar de organisatie, met koning George VI voorop, hoopte dat de kaartverkoop en het verwachte toerisme geld zouden opbrengen. Bovendien konden de Spelen andere landen laten zien dat het land zich na de oorlog had hersteld, en was het een kans voor de Britten weer trots te worden op hun land. Of zoals de huidige premier Cameron het noemt, als hij nu een reden moet geven waarom de Spelen belangrijk zijn voor het land: „De Groot in Groot-Brittannië terugzetten.”

De planning voor 1948 begon, zo beschrijft historica Hampton, een kleine twee jaar eerder. Hoewel Londen de Spelen van 1944 zou organiseren, die net als die van 1940 wegens de oorlog niet doorgingen, was er geen draaiboek. Er werd vooral gebruikt wat voorradig was. Dus werd Wembley Stadium verbouwd – twee weken voor de Spelen werd de hondenracebaan opgebroken en werd een sintelbaan neergelegd voor de hardlopers. Ter vergelijking: nu begon de bouw van het Olympisch Park al in 2008.

Andere landen doneerden materieel: Finland kwam met hout voor de basketbalarena, Zwitserland leverde turntoestellen, de Amerikanen meel voor brood.

Er was geen olympisch dorp. Basketballer Lionel Price sliep met zijn ploeggenoten op de luchtmachtbasis in Uxbridge. Dat was nog luxe: bokser Ronnie Cooper (84) herinnert zich bedden in een school in Reading, en hij moest zelf zijn lakens meenemen. Met enige jaloezie volgde hij de afgelopen jaren de bouw van het olympisch dorp, dat vlakbij zijn huis werd gebouwd.

„Toen en nu zijn niet te vergelijken”, zegt Cooper. „Chalk and cheese”, herhaalt hij een paar keer, appels en peren. De voormalige dokwerker begon op zijn zestiende met boksen, net zoals zoveel jongens in Oost-Londen. „We waren zo arm, je wilt het niet geloven. Ik had geluk dat mijn guv, mijn baas, een boksfan was en me betaald verlof gaf om mee te doen. Anders was ik niet eens olympiër geweest.”

Voordeel van de Spelen was dat de sporters extra voedselbonnen kregen. Zijn moeder smeerde boterhammen en er was „custard met gelatinepudding”, nog steeds zijn favoriete toetje. „Er waren geen vitamines, of speciale apparaten. Mijn handen deden het werk.” Cooper vertelt hoe hij in de eerste ronde de Bredase boksheld Jan Remie neersloeg. In de tweede ging hij zelf neer.

Price kan zich ook niet veel van extra rantsoenen herinneren, maar denkt dat hij „veel aardappels” heeft gegeten. „Ik weet alleen nog hoe de trainingen waren.” ’s Ochtends ging hij naar kantoor, hij was leerling-accountant, en dan snel naar huis om te eten en dan trainen. Om mee te doen aan de Spelen nam hij vakantie: „Ik had recht op twee weken, dat was precies genoeg.”

Ook de basketballers werden onmiddellijk uitgeschakeld. „De langste in onze ploeg was 1.83 meter. Maar dat maakte niets uit”, zegt Price. Het Verenigd Koninkrijk was toen, net als nu, geen basketballand. Sterker nog, sinds 1948 hebben de Britten nooit meer een ploeg uitgevaardigd, waardoor Price de laatste levende Britse olympische basketballer is.

Hij mocht zondag de vlam door Londen dragen – en lacht: „Ik ben een beetje beroemd.” Hij vindt het wel komisch: nu een Nederlandse journalist, gisteren een Duitse televisieploeg. Maar in vergelijking met zijn opvolgers is het allemaal peanuts: „Die moeten naast het sporten interviews geven en aan reclames meedoen.” Price zou er moe van worden.

Uiteindelijk wonnen de Britten in 1948 niet veel medailles: 23, waarvan slechts drie goud. In het klassement stond het gastland achter Nederland, dat mede dankzij de vier gouden medailles van atlete Fannie Blankers-Koen elfde werd.

Dat gaf allemaal niet. „Londen lag nog in puin, we probeerden er het beste van te maken”, zegt Price. En hij verwijst naar het motto van de Franse baron Pierre de Coubertin, bedenker van de moderne Spelen, dat in 1948 in Wembley Stadium hing: meedoen is belangrijker dan winnen. Price: „Het maakt niet uit of ik een medaille heb of niet, ik blijf een olympiër. Dat pakt niemand me meer af.”