Een wielertalent moet leren knokken

Bondscoach Leo van Vliet is kritisch over het Nederlandse wielrennen: er breken te weinig renners door, omdat ze de laatste stap niet kunnen maken.

Redacteur Wielrennen

Rotterdam. Zeven jaar geleden won een Nederlander voor het laatst een Touretappe: Pieter Weening. Servais Knaven won in 2001 Parijs-Roubaix, de laatste Nederlandse overwinning in een grote klassieker. Erik Dekker won in 2004 nog wel Parijs-Tours, ook een belangrijke wedstrijd. Maar dat is ook al acht jaar geleden.

De laatste keer dat een Nederlandse wielrenner wereldkampioen werd is langer geleden: Joop Zoetemelk, in 1985. En Hennie Kuiper werd in 1972 olympisch kampioen.

Bondscoach Leo van Vliet, die in deze gouden tijd een Touretappe én Gent-Wevelgem won, kent het lijstje ook. Gisteren vloog hij naar Londen, waar Robert Gesink, Lars Boom, Lieuwe Westra, Sebastian Langeveld en Niki Terpstra moeten opboksen tegen de in de Tour zo dominante Britten. Van Vliet vertelt dat hij vaak nadenkt over de vraag waarom Nederlandse wielrenners de laatste jaren niet zo goed meer presteren. „Vroeger stond het vast dat er wedstrijden gewonnen zouden worden.” 

Telt Nederland eigenlijk nog wel mee als wielerland?

„Nederland staat zevende op de wereldranglijst van de internationale wielerunie UCI. We tellen heus nog wel mee. We hebben heel talentvolle renners die dat ook laten zien. Maar we hebben geen renners die tot de wereldtop behoren.”

U heeft de gouden tijd meegemaakt. Wat is het grote verschil met vroeger?

„Wielrennen is een wereldsport geworden, met goede renners uit bijvoorbeeld Australië en Groot-Brittannië. En onze renners weten de laatste stap naar de top niet te maken. Terwijl het er wel aan zit te komen. Kijk bijvoorbeeld naar Bauke Mollema, die gaat steeds beter rijden.”

Mollema is de afgelopen twee jaar doorgebroken. Maar de successen van Nederlandse renners laten toch al langer op zich wachten?

„Dat klopt. Ik vind het ook moeilijk precies de oorzaak te benoemen. We hebben op dit moment geen Jan Raas, Joop Zoetemelk of Gerrie Knetemann. Of latere renners als Jeroen Blijlevens, Michael Boogerd, Erik Dekker. Die wonnen wel.

„Succes kan ook zomaar uit de lucht komen vallen. Denk aan Peter Winnen en Johan van der Velde, die verrasten ineens iedereen in de jaren tachtig. Ik hoopte een beetje dat Steven Kruijswijk dit jaar zou doorgroeien. Maar dat deed hij niet. De laatste stap naar de top is wel de moeilijkste, weet ik uit ervaring. Ik was een goede renner, maar bereikte nooit het allerhoogste niveau.”

In de jeugdcategorieën presteren Nederlanders al jaren goed. Critici zeggen dat ze daarin zó succesvol zijn dat ze op te jonge leeftijd gewend raken aan succes.

„Daar ben ik het mee eens. De beste Nederlandse jeugd rijdt al jaren bij de Raboploeg. Daar worden ze prima verzorgd, hebben ze het mooiste materiaal, krijgen zelfs al salaris. Ze gaan ook met een tactiek naar wedstrijden, en renners die er bovenuit steken worden beschermd. Als ze daarna naar de profs overstappen, is alles hetzelfde – maar wordt er wel vijf kilometer per uur harder gereden. Dan zie je er toch een hoop struikelen.

„Ik ben daarom een voorstander van een nationale jeugdselectie, dat is beter dan een dominante opleidingsploeg. Daar zouden dan de beste renners uit verschillende ploegen moeten rijden. Jonge renners zouden moeten vechten voor een plekje in het team. Het zou goed zijn als de grootste talenten niet elke keer in de beste ploeg rijden, dat ze leren knokken. Het moet iets harder allemaal. Er zijn te veel talenten die niet doorbreken.”

Raboploegleider Adri van Houwelingen zei onlangs dat zijn team meer aandacht moet besteden aan kleinere wedstrijden in plaats van alleen te focussen op de Tour de France. Wat vindt u daarvan?

„Wij reden in mijn tijd de Ronde van de Middellandse Zee om te winnen. Wij reden eigenlijk overal om te winnen. Er is de laatste jaren een tendens ontstaan dat renners zich moeten concentreren op belangrijke koersen. Ik vraag me af waarom een renner die net prof is zich moet richten op grote wedstrijden. Laat hij ook die kleine wedstrijd proberen te winnen. Johnny Hoogerland bijvoorbeeld, of Lars Boom. Noem ze maar op. Die rijden sommige wedstrijden in voorbereiding op grote wedstrijden. Maar de kleine trainingswedstrijden winnen ze niet. Ze rijden niet eens in beeld.

„De Vierdaagse van Duinkerke was vroeger een gewaardeerde koers. Daar staat Rabobank niet eens meer aan de start. Ga daar eens rijden met talenten. Winnen moet je leren, daar krijg je ook moraal van.”

De Britse wielrenners waren deze Tour heel goed, de toprenners worden er nauwgezet begeleid. Loopt Nederland daarin achter?

„Bradley Wiggins, die nu de Tour wint, was er in 2010 ook klaar voor. Toen werd het niets. En vorig jaar viel hij. Het succes is makkelijk te verklaren nu het allemaal lukt. Ik las ook dat Mark Cavendish in de Tour op een bepaalde berg als training exact zes minuten op kop fietste, omdat de beklimming op het olympische parcours ook zes minuten duurt. Ik vraag me af of het echt zo eenvoudig is. In het wielrennen spelen zoveel factoren een rol. Fietsen kunnen kapot gaan, het weer is belangrijk, er zijn valpartijen. Ik denk dat succes ongrijpbaarder is.”

Wat verwacht u van de Spelen?

„De Britten zijn niet te kloppen, zou je denken. Maar we zien wel of Cavendish negen keer die klim over kan. Ik geloof in onze ploeg, waarin Niki Terpstra de belangrijkste troef is. Als er één Nederlandse renner dicht tegen de wereldtop aan zit, is hij het. Hij won Dwars door Vlaanderen, werd als knecht voor de Belg Tom Boonen vijfde in Parijs-Roubaix en zesde in Vlaanderen. En Terpstra won het NK op een ongelooflijke manier, na een solo van veertig kilometer.”