'Eén op de tien wereldburgers is homoseksueel'

De aanleiding

„Homo’s en lesbiennes moeten zich in de meeste landen in allerlei bochten wringen om nog een beetje zichzelf te kunnen zijn”, meldt Metropolis, een journalistiek programma van de VPRO, in de aflevering van 12 juli. Daarin werd homoseksualiteit in verschillende delen van de wereld onderzocht. Volgens het begeleidende persbericht is „één op de tien wereldburgers homoseksueel”. Een lezer vroeg ons deze stelling te controleren. „Lijkt mij nogal veel”, schrijft Eef van der Vliet uit Arnhem, „maar wie weet.” De redactie van next.checkt zocht het uit.

Waar is het op gebaseerd?

Het cijfer ‘één op tien is homoseksueel’ is wijdverbreid. Het is inmiddels een soort volkswijsheid geworden. De oorsprong ervan is een onderzoek uit 1948 van Alfred Kinsey, die wel wordt gezien als de grondlegger van de moderne seksuologie. Uit dit zogeheten ‘Kinseyrapport’ zou blijken dat 10 procent van de Amerikaanse mannen ooit een seksuele ervaring had gehad met een andere man. Het ging hier dus niet om de wereldbevolking of om zelfidentificatie als homoseksueel of om een consequente voorkeur voor dezelfde sekse. Er is in de loop der jaren veel kritiek geuit op Kinsey’s methoden. In de volksmond is het percentage echter een eigen leven gaan leiden.

Ook de eindredactie van Metropolis verwijst naar het ‘Kinseyrapport’. „Die zin in het persbericht is wellicht te stellig geformuleerd”, zegt eindredacteur Arnout Arens. „Het was een schatting van ons.” Volgens hem worden er regelmatig te lage cijfers in onderzoeken gerapporteerd, omdat mensen niet altijd eerlijk antwoord geven als wordt gevraagd naar hun geaardheid. „Dat hebben wij meegenomen in die schatting.” Arens benadrukt dat de uitspraak alleen in het persbericht werd gedaan en niet in de uitzending zelf.

Interpretaties

Om een inschatting te kunnen maken hoeveel mensen homoseksueel zijn, is een definitie van homoseksualiteit belangrijk. Is dat als iemand zich weleens aangetrokken voelt tot iemand van dezelfde sekse? Of als iemand ooit seks met hetzelfde geslacht heeft gehad? Of alleen wanneer iemand zichzelf beschouwt als homo, lesbisch of biseksueel? Cijfers over mensen die seks hebben (gehad) met iemand van hetzelfde geslacht, vallen altijd hoger uit dan cijfers over mensen die zichzelf ook daadwerkelijk beschouwen als homoseksueel.

De uitspraak stelt dat één op de tien mensen „homoseksueel is”, en niet bijvoorbeeld homoseksuele gevoelens of een ervaring heeft gehad. Daarom hanteren wij hier de volgende definitie van Rutgers WPF, het Nederlandse kenniscentrum voor seksualiteit: „Consistent in de seksuele voorkeur, voelt zich tot seksegenoten aangetrokken en benoemt zichzelf als homo- of biseksueel”.

En, klopt het?

Het verkrijgen van wereldwijde cijfers is problematisch. Er bestaan geen mondiale onderzoeken en de acceptatie en de rol van homoseksualiteit in de samenleving verschilt drastisch per land. Het is waarschijnlijk dat er in landen waar er een sterk taboe op rust, of het zelfs strafbaar is, minder mensen hun homoseksuele gevoelens zullen willen uitspreken, of zelfs voor zichzelf erkennen.

Voor Nederland, en een aantal andere westerse landen, zijn er wel representatieve cijfers beschikbaar die ook enigszins vergeleken kunnen worden. Het recentste bevolkingsbrede Nederlandse onderzoek, uitgevoerd door kenniscentrum Rutgers WPF, stamt uit 2006. Daaruit blijkt dat in Nederland 4 procent van de mannen zichzelf beschouwt als homoseksueel en 3,1 procent als biseksueel. Voor vrouwen is dat 2,6 en 3,3 procent. Volgens de eerder gestelde definitie gaat het dus om 7,1 procent van de Nederlandse mannen en 5,9 procent van de vrouwen.

Ook in 2011 heeft Rutgers WPF een onderzoek uitgevoerd, maar daarvan zijn de resultaten nog niet gerapporteerd. Wel maakt het kenniscentrum bekend dat 8,7 procent van de mannen ooit seks had met een seksegenoot en 8 procent van de vrouwen. Het aantal mensen dat zich als homo- of biseksueel beschouwt, of consequent op dezelfde sekse valt, zal daar waarschijnlijk niet boven zitten. Voor Nederland gaat ‘één op de tien’ dus niet op.

Maar de uitspraak gaat over „wereldburgers”, niet alleen over Nederlanders. Voor de meeste landen zijn geen cijfers beschikbaar. Vergeleken met landen waar die er wel zijn, scoort Nederland hoog. Recent onderzoek (2009) vergeleek ons land met het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Canada en de Verenigde Staten. In Nederland zeggen meer mensen dat ze zich aangetrokken voelen tot hetzelfde geslacht, seks daarmee hebben (gehad) en zich beschouwen als homo- of biseksueel dan in andere landen. Ter vergelijking: in de VS noemde 4,1 procent van de mensen zich homoseksueel, in Australië 2,2 (mannen) en 2,5 procent (vrouwen) en in Canada 1,5 en 1,8.

Dit hoeft niet te betekenen dat in Nederland daadwerkelijk meer mensen homoseksueel zijn. In de Nederlandse samenleving is homoseksualiteit meer geaccepteerd dan in de vergeleken landen. Het is aannemelijk dat in een toleranter klimaat meer mensen voor hun seksuele voorkeur willen uitkomen en daarnaar handelen. Volgens Rutgers WPF is het waarschijnlijk een combinatie van beide. Er is in ieder geval geen reden om aan te nemen dat homoseksualiteit wereldwijd váker voor zou komen dan in Nederland, wat Metropolis met „één op tien” wel veronderstelt.

Conclusie

De wijdverbreide ‘één op tien-statistiek’ is terug te leiden tot een onderzoek uit 1948 van bioloog Alfred Kinsey onder Amerikaanse mannen. Het getal is een eigen leven gaan leiden. Er zijn geen mondiale cijfers over homoseksualiteit beschikbaar. In Nederland en een aantal andere westerse landen is wel recent onderzoek gedaan. In 2006 verklaarde ongeveer 7 procent van de mannen en 6 procent van de vrouwen homo- of biseksueel te zijn – circa 1 op de 14 tot 1 op de 17 dus. Volgens alle vergelijkende onderzoeken scoort Nederland het hoogste. Er is dus geen reden om aan te nemen dat het percentage wereldwijd hoger zal liggen. Omdat er geen betrouwbare internationale cijfers bestaan of verkregen kunnen worden, beschouwen we de uitspraak „één op de tien wereldburgers is homoseksueel” als ongefundeerd.