Drie, vier keer op de laatste rotonde rond

De langste snelweg van Europa, de E40, loopt van Frankrijk naar Kazachstan. Lynn Berger rijdt de weg van begin tot eind. Vandaag de laatste aflevering: afgedankte Europese auto’s.

Lynn Berger

Een groene stadsbus maakt reclame voor ‘Neunkirchen, die Stadt Zum Leben’. De rode tourbus die we zoëven passeerden had ‘Tour d’Alpes’ op het raam staan; een wit bestelbusje van ‘De Yskoning’ veroorzaakte een flashback naar begin jaren negentig. We lijken terug bij af te zijn: het einde van de E40 wordt, net als het begin in Calais, gemarkeerd door een rotonde en voertuigen uit heel Europa. Maar dit is Ridder, een mijnstadje in Oost-Kazachstan, aan de voet van het Altaigebergte – we zijn bijna 9.000 kilometer, 52 dagen, tien grensovergangen, drie aanhoudingen en één klapband verder. Op deze rotonde prijkt een witmetalen toren met een gouden bal – een replica van de hoofdstedelijke Baytarek toren – en nadere inspectie leert dat de Duitse, Franse en Nederlandse bussen allemaal Kazachstaanse nummerborden hebben: opgegeven door West-Europa zijn ze hier aan een tweede leven begonnen.

Automobiel: een voertuig dat zichzelf voortbeweegt, een wagen zonder paard. Voor de E40, die Kazachstan in en uit slingert, dit land voor de derde en laatste keer aandeed, liep de weg door het noorden van Kirgizië. In het onwaarschijnlijk mooie bergstaatje leek het paard minstens zo’n heilige koe als de auto. De viervoeters waren overal: grazend in bergweides in de verte; op hun gemak in kuddevorm de weg overstekend; bereden door moderne schaapsherders, jonge Kirgiziërs die Adidasbroeken droegen en felgekleurde mutsen. Wegrestaurants waren nomadententen waar we gefermenteerde paardenmelk dronken; de herder die voorbijkwam toen de rechtervoorband van onze auto het op een onverharde weg begaf, parkeerde zijn paard en vier honden in de berm alvorens ons te helpen met het wiel.

De nieuwe reserveband die we later die dag kochten, ging gepaard met een uitnodiging om bij de garagehouder te komen eten: de oude Kirgiziër sprak een paar woorden Duits, waaronder ‘eine Flasche’, waarmee hij wodka bedoelde. ’s Avonds vond ik mezelf terug in zijn woonkamer vol tapijten, aan een tafel vol eten. Beyoncé dartelde in bruidslingerie over het televisiescherm in de hoek, terwijl de beschonken garagehouder een monoloog afstak die over zijn oorlogsverleden leek te gaan. Zijn vrouw, die een vrolijk gerimpeld gezicht had en hooguit drie tanden, maakte intussen in gebarentaal duidelijk wat er, mocht ik ooit kinderen krijgen, met mijn lichaam zou gebeuren; en naast me op de bank zat hun zestienjarige kleindochter zich enorm te generen. Bij het afscheid kregen we een plastic tas mee met gedroogd fruit, brood, snoepgoed, een stuk biefstuk en een fles melk.

Het merendeel van de Kirgiziërs heeft het nomadenbestaan al lang opgegeven – daar heeft Stalin met zijn ‘denomadiseringscampagne’ wel voor gezorgd – en in de Kirgizische hoofdstad Bishkek werd de E40 gewoon weer gedomineerd door auto’s. Ons hotel zat op de hoek van de Zijderoute Avenue en de Sovjetweg, wat ik grappig vond – al refereerde de stad, met haar geometrische stratenplan, grote pleinen, betonnen gebouwen en automobielen, vooral aan dat laatste tijdperk. Op een terras in de buurt van de Poesjkinstraat las ik in The Times of Central Asia dat het Kirgizische parlement het ministerie van Transport ervan beschuldigde ondermaatse wegen te hebben aangelegd en dat de Oezbeekse censor twaalf minuten uit Sasha Baron Cohens nieuwe film The Dictator had geknipt.

Vanaf Bishkek liep de E40 naar Almaty – de hoofdstad van Kazachstan, totdat president Nazarbajev in 1997 besloot de residentie naar het noordelijker gelegen Astana te verhuizen. Kazachstan is zo groot als West-Europa; het oostelijke Almaty ligt praktisch in China en was dus geen vreemde keus voor wie zijn vijand zo ver mogelijk van Moskou vandaan wilde hebben.

Dit moest ongeveer de route zijn die Leon Trotski aflegde toen Stalin hem, in de winter van 1928, naar Almaty verbande. Ik kon me moeilijk voorstellen hoe onherbergzaam dit landschap ’s winters geweest moest zijn: in het zomerlicht leek de vriendelijk glooiende steppe nog het meest op een vergeelde versie van het bureaublad van Windows 98.

Een jaar later, in 1929, besloot Stalin dat de nomaden van Kazachstan, net als die van Kirgizië, op collectieve boerderijen moesten gaan wonen om graan te verbouwen: in de opstanden en honger die volgden kwamen 1 miljoen Kazachen om het leven en werd de veestapel gedecimeerd. Bij Almaty verwezen alleen de advertentieborden langs de E40 nog naar de verloren traditie: ze maakten reclame voor ‘Nomad Autoverzekeringen’.

Tijdens de ruim duizend kilometer lange rit van Almaty naar Öskemen veranderde het landschap steeds van kleur en gedaante: dan was het weer bruin, geel en glooiend, dan weer een paars-grijs maanlandschap. Wat een ruimte, moeten ook Stalin en de zijnen hebben gedacht: tijdens de Tweede Wereldoorlog fungeerde Kazachstan als ballingsoord voor etnische minderheden; vervolgens als testgebied voor nucleaire wapens. In Öskemen, met 300.000 inwoners de laatste grote stad aan de E40, werd in de jaren negentig nog zo’n 600 kilo verreikt uranium gevonden, achtergelaten door de Sovjets.

Bij het uitgaan in de Öskemense Club Bolshevik, waar de dansvloer vol stond met ranke Aziatische meisjes die op Rihanna dansten, kregen we van het management een fles wodka cadeau. De volgende ochtend besloten we de laatste 150 kilometer naar Ridder een dag uit te stellen, vanwege de kater.

De laatste dag van onze roadtrip was warm en bewolkt. De E40 reed nu richting de bergen: het landschap was onverwacht groen, vol naaldbomen en bloemenstruiken waarvan ik de naam niet kende. Er dartelden zoveel witte vlinders over de weg dat het soms bijna leek te sneeuwen – wanneer ze tegen de autoruit kapotspatten, lieten ze een geel-wit spoor achter. De ruitenwisservloeistof rook naar vanille. In een klein dorp stonden twee vrouwen de schutting te schilderen; er stond een koe op de weg en de man die voorbij fietste droeg een legerbroek en een giletje van spijkerstof.

Dit is wat ik van tevoren dacht: dat de mensen, de gebouwen, het landschap en het eten langs de E40 geleidelijk zouden veranderen. De Fransman zou langzaam maar zeker overgaan in de Oost-Kazach en voor de roadtripper zouden de verschillen tussen West-Europa en Centraal-Azië, uiteindelijk, klein en begrijpelijk zijn.

Het was een naïef idee, een fantasie.

Sommige dingen blijven constant – overal aan de weg houden mensen van vlees op een stokje, weten ze wie Marco van Basten is, en vergrendelen ze hun liefde door hangsloten aan bruggen te klinken. Andere veranderingen zijn juist abrupt: het cyrilisch alfabet, de geometrische stadsplannen en de stempelliefde van de voormalige Sovjet-Unie vloeien niet voort uit de landen die eraan voorafgaan, maar vormen een contrast. In Centraal-Azië zie je Slavische en Aziatische gezichten naast elkaar, niet in of door elkaar. De E40 loopt niet over een staalkaart, maar over een palimpsest – waarop politiek, economie, godsdienst en geografie een grillig patroon hebben achtergelaten.

Of dat is wat ik ervan maak. Maar vraag het de transportminister in Genève, de Oekraïense stratenmaker, de Kirgizische schaapsherder: iedere weggebruiker heeft zijn eigen E40 – en alleen voor ons doet het er toe dat die nu eindigt, op een rotonde in Ridder met oude Europese automobielen.

Drie, vier keer rijden we rond: om de Baytarekreplica heen, langs de spoorlijn, het parkeerterreintje, het lichtroze woonblok waar ‘Dr Zoo’ op de benedenverdieping huist. ‘En nog, en nog, zeg iets’, dicht Herman de Coninck in mijn hoofd: ‘Leer me huilen, en als ik huil / leer me zeggen: het is niets.’

Mijn lief parkeert de auto. Dan stappen we uit.