Badminton is heilig in Indonesië

Weinig Indonesiërs hebben er alles voor over om topsporter te worden. Alleen van de badmintonners wordt tijdens de Olympische Spelen in Londen succes verwacht.

Het gemengd dubbel Tontowi Ahmad (links) en Liliyana Narsir tijdens de All Engeland Open van 2011. Het badmintonduo moet Indonesië komende week in Londen aan eremetaal helpen. Foto AFP

Aduh! Tontowi Ahmad schreeuwt het uit als hij zijn shuttle keihard tegen het net smasht. Zijn teamgenoot Lilyana Natsir kijkt onverstoord voor zich uit. De badmintonster heeft geleerd haar irritatie te verbergen wanneer haar twee jaar jongere partner een fout maakt. „Eerst liet ze merken hoe pissig ze werd”, zegt dubbelcoach Christian Hadinata in de trainingszaal, waar de muren worden gesierd door zwart-witfoto’s van Indonesische badmintonlegendes. „Maar dat kan niet, hebben we tegen haar gezegd.”

Het gemengd dubbelteam is de hoop van Indonesië op olympisch goud bij de Spelen in Londen. De serieuze Lilyana heeft meer ervaring en moet het spel leiden, wat uitzonderlijk is in een gemengd team. Lolbroek Tontowi jaagt zijn tegenstanders angst aan met zijn grote postuur en zijn harde smashes. Aan wie het maar wil horen vertelt hij dat hij vroeger geen interesse had voor de sport. „Ik vond het niet leuk, werd gedwongen door mijn vader”, roept hij met een brede glimlach.

Op hen rust de zware taak de olympische eer van Indonesië hoog te houden. Sinds badminton bij de Spelen in Barcelona in 1992 een olympische sport werd, heeft Indonesië altijd een gouden medaille gewonnen. Indonesische sportliefhebbers zien graag dat die gouden traditie wordt voortgezet.

Op andere sporten hoeft het land niet te rekenen. Indonesische gewichtheffers behaalden enkele zilveren en bronzen medailles, het vrouwenteam handboogschieten won in 1992 zilver. En dat was het. Het land met het op drie na grootste inwonertal ter wereld (ruim 240 miljoen) won vier jaar geleden minder medailles dan Noord-Korea en Ethiopië. In Londen doen slechts 21 Indonesiërs mee. Ter vergelijking: Nederland vaardigt 178 sporters uit.

En dat allemaal door een overwinning op Maleisië in 1958. Een team van badmintonlegendes als Tan Joe Hok en Ferry Sonneville onttroonde het buurland toen tijdens de Thomas Cup, het officieuze WK voor mannelijke landenploegen. „De sporters werden ontvangen door Bung Karno [Soekarno] en paradeerden door Jakarta”, herinnert coach en voormalig kampioen Hadinata (62) zich. „We realiseerden ons dat badminton een sport was waarin we internationaal konden concurreren.”

Vanaf toen werd er overal gebadmintond, zegt Hadinata. In de kampongs werd een touwtje opgehangen als net, en mensen maakten zelf een racket van hout. Dat het in Indonesië windstil is, hielp mee. De bloeiperiode begon in 1970 en duurde tot begin jaren negentig. Met Rudy Hartono, die acht keer het prestigieuze All England-kampioenschap won. Hadinata zelf won in die periode vele malen goud in het dubbelspel.

Dat het met andere sporten nooit is gelukt, komt doordat Indonesië niet gericht bezig is met topsport, zegt voorzitter Rita Subowo van het Komite Olimpiade Indonesia. Te weinig faciliteiten en geen langetermijnplanning. Nu steekt het land volgens haar te veel energie in kleine sportevenementen zoals de Zuidoost-Aziatische Spelen, waarin Indonesië verreweg de grootste deelnemer is. En in niet-olympische sporten. „Waarom doen we aan rolschaatsen, paragliden en muurklimmen?”

Maar het probleem zit dieper, denkt de 67-jarige Sumohadi Marsis, al ruim veertig jaar werkzaam in de sportjournalistiek. Niet veel Indonesiërs willen de offers brengen die nodig zijn om topsporter te worden. Anders dan in China, dat ook de grootste rivaal in het badminton is. „De filosofie van Chinezen is: hard werken, hard werken, hard werken. Alles om iets te bereiken. Indonesië noemt men een melkbad. Het is zo vruchtbaar: je hoeft hier niks te doen en je hebt toch te eten.”

Het is geen toeval dat veel badmintonkampioenen Chinese Indonesiërs zijn. Zo ook oud-kampioen Hadinata en sterspeelster Lilyana Natsir. De vader van de Javaan Tontowi is een uitzondering. „Buiten de Chinese gemeenschap hebben Indonesische ouders geen traditie om van hun kinderen kampioenen te maken. Ze vinden het genoeg als de kinderen het beter hebben dan zijzelf”, zegt Marsis.

Zelfs het badminton dreigt nu in verval te raken. Terwijl Indonesië vroeger een vanzelfsprekende winnaar was, verliest het nu ook van mindere landen als Japan. Een dieptepunt was afgelopen mei, toen het land in de Thomas Cup en de Uber Cup (officieuze WK voor vrouwelijke landenploegen) niet verder kwam dan de kwartfinales. Lokale media spreken van een badmintoncrisis.

Kenners wijzen verschillende oorzaken aan. Oud-spelers hebben publiekelijk kritiek geuit op badmintonbond PBSI. „De president van de bond is oud-generaal Djoko Santoso, en die heeft allemaal legermensen aangesteld die niets van badminton weten”, klaagt Alan Budi Kusuma, die net als zijn vrouw Susi Susanti in 1992 het eerste olympische goud voor Indonesië binnensleepte. Een pijnpunt was de aanstelling van een duurbetaalde coach uit China. Na alle kritiek is die voorlopig terug naar huis gestuurd.

Coach Hadinata denkt dat het land te lang zijn topspelers naar toernooien heeft gestuurd. Zoals Taufik Hidayat, die voor de vierde keer naar de Spelen gaat. Maar de jongere generatie heeft daardoor amper ervaring kunnen opdoen. Hij ziet ook hoe de concurrentie uit China en Zuid-Korea gedisciplineerder traint. Zij werken áltijd hard, terwijl Indonesische spelers alleen trainen voor afzonderlijke toernooien. Daardoor hebben de Chinese en Koreaanse badmintonners meer snelheid en kracht.

Het maakt dat sportkenners hun hart vasthouden voor ‘Londen’. Want er staat meer op het spel dan die ene gouden medaille. Badmintonsucces is hard nodig om de sport aantrekkelijk te houden voor de jeugd. Vroeger waren de straten tijdens belangrijke wedstrijden uitgestorven, zegt Hadinata. „Nu blijven mensen niet meer thuis, want ze weten niet zeker of we wel gaan winnen.” Als het niet lukt om goud te halen in Londen, vreest hij dat de teloorgang van de badmintontraditie niet meer te stoppen is.