Rammen en met je ellebogen wringen

De start, daar kan een BMX’er het verschil maken. Dus werkt Jelle van Gorkom hard aan die eerste acht omwentelingen. En vóór de start worden er psychologische oorlogjes gevoerd.

Jelle van Gorkom (21) op Papendal: „De eerste tien meter zijn van nul tot maximale snelheid. Ieder spiertje is dan aangespannen.” Foto Merlin Daleman

Acht breedgeschouderde BMX’ers op tien centimeter van elkaar. Ze staan op een startheuvel van acht meter hoog, dertig meter lang en met een hellingsgraad van achtentwintig graden. En allemaal willen ze als eerste beneden zijn, met een snelheid van zo’n 60 kilometer per uur. Want acht van de tien keer wint de fietscrosser met de snelste start. „Wie niet bij de eerste drie hoort, is kansloos”, zegt Jelle van Gorkom (21) stellig.

De behendige fietscrossers, die vier jaar geleden hun olympische debuut maakten in Peking, zijn niet vies van psychologische oorlogjes. Het begint al op de trap naar boven, in volgorde van de tijd uit de vorige ronde. „Je kunt de jongen achter je even laten wachten. Net wat langzamer naar boven lopen, zodat hij langer in een oncomfortabele positie staat. Of als je boven bent even je voorwiel hard laten neerkomen, zodat de hele trap trilt.”

Als de speaker de BMX’ers voorstelt, is het mentale spel nog niet voorbij. „Iedereen probeert zichzelf op te peppen. Je roept een keer wat, of maakt een gek geluid, zodat de jongen naast je schrikt. Sommigen doen de raarste dingen. Ze slaan op hun helm en benen en maken veel lawaai. Of ze doen juist overdreven ontspannen, zodat anderen zijn afgeleid. Ik ben daar niet zo gevoelig voor. Alle energie die je daarin steekt, is verloren voor de start.”

Zodra het stoplicht op groen springt, het seintje klinkt en het starthek valt, volgt een explosie van kracht. „De eerste tien meter zijn van nul tot maximale snelheid. Het zijn maar acht omwentelingen tot beneden, maar elk spiertje is dan aangespannen. Essentieel is dat je jouw ellebogen voor die van de concurrenten wringt. Dan komen ze er bijna niet meer langs.”

Van Gorkom heeft zijn start geperfectioneerd met videoanalyse. Een vaste camera filmt elke training op nationaal trainingscentrum Papendal – een kopie van het olympische parcours in Londen. Vertraagd bestudeert hij met bondscoach Bas de Bever zijn houding, pedaalstand en eerste bewegingen, op zoek naar de ideale positie.

Hij brengt ook een aanzienlijk deel van zijn trainingsuren door in het krachthonk. „Alles wat we sterk maken is voor de eerste tien seconden van explosiviteit. We trainen vooral de romp en benen, maar ook de schouders en bovenarmen moeten goed zijn. Mijn linkerarm moet de kracht van mijn rechterbeen kunnen opvangen en de fiets in bedwang houden.”

Ook het materiaal van de fietscrossers is geprofessionaliseerd sinds het olympische debuut. Van Gorkom rijdt sinds tweeënhalf jaar op een fiets van carbon in plaats van aluminium, net als de wegrenners en de mountainbikers. „Het voordeel is dat je zelf de stijfheid kan bepalen. Dat is een gevoelskwestie. Ik vind het lekker als mijn fiets zo min mogelijk zijwaartse beweging heeft. Met een goede techniek en een extreem stijve as komt de meeste kracht op de pedalen de snelheid ten goede.”

Overbodig te stellen dat de start niet zonder gevaar is. Van Gorkom brak zoals elke BMX’er al polsen en sleutelbenen. Hij draagt de littekens van de valpartijen over zijn hele lichaam. Soms gaat het gruwelijk mis, zoals op de laatste dag van maart in het Amerikaanse Chula Vista (Californië). Van Gorkom raakte zijn tegenstander in een van de eerste sprongen na de start, bij een snelheid van zo’n 55 kilometer per uur. Beiden smakten tegen de volgende oploop.

De helm redde het leven van Van Gorkom, maar kon een hersenschudding niet voorkomen. Ook werden in het ziekenhuis een ingeklapte long, een gekneusde long, gebroken en gekneusde ribben en een diepe snee in de knie geconstateerd. „Gelukkig geen open botbreuk, zoals ze eerst dachten”, zegt hij nu monter. „Dan had ik de Spelen kunnen vergeten.”

Praten lukte Van Gorkom de eerste dagen niet eens. Bondscoach De Bever gaf de zwaargewonde BMX’er een pen in zijn hand. I’ll be back for the Olympics, was het eerste dat Van Gorkom op het papier krabbelde. Dat is gelukt, na een volgens artsen wonderbaarlijk snel herstel.

Van Gorkom: „Ik heb me wel zorgen gemaakt over mijn longen, maar ik kan alles weer vol belasten. Alleen mijn knie en schouder zijn nog niet helemaal genezen, maar in deze sport heb je altijd wel wat dingetjes.”

Van Gorkom zat half mei weer voor het eerst op zijn fiets, maar de startheuvel beklom hij nog even niet. „De val zat nog tussen mijn oren. Ik heb eerst alleen maar wat heuveltjes gedaan. De eerste training dat ik weer op acht meter stond, was het met zweethandjes.” Lachend: „Maar goed, normaal doe ik het ook al in mijn broek.”

Want Van Gorkom heeft hoogtevrees, bekent hij. Onhandig voor een BMX’er, maar ook niet meer dan dat. „Als zestienjarige nam ik soms meteen de trap weer naar beneden. Angst heb ik niet meer, nu ik zestig starts per week maak. Ik moet alleen niet opzij kijken als ik op de trap loop. Hoogtevrees past wel bij BMX: ik heb een extra reden om zo snel mogelijk naar beneden te willen.”

Dit is de zevende aflevering van een serie interviews met Nederlandse deelnemers aan de Olympische Spelen die een detail van hun sport belichten.