Opinext@nrc.nl

Er is nog veel te leren over ‘ Indonesië’

Afgelopen vrijdag pakte nrc.next uit met een paginagroot artikel van Dirk Vlasbom over de ‘hype’ rondom de koloniale oorlog met Indonesië. Terecht nuanceert hij hierin de gedachte dat we helemaal niets weten over de oorlogsmisdaden ten tijde van dit conflict. Hij somt een aantal degelijke studies op die de afgelopen decennia zijn gedaan, al laatste Scagliola’s proefschrift Last van de oorlog uit 2003.

Wat mij echter hoogstens verbaast is dat Vlasblom het daarom nu wel welletjes vindt. De oproep van het KITLV, het NIMH en het NIOD om nieuw grootschalig onderzoek naar de misdaden te doen ziet hij vooral als een strategie om toch maar brood op de plank te krijgen in tijden van bezuinigingen. Interessant is echter dat historica Elsbeth Locher-Scholten twee dagen eerder in deze krant (Brieven, 18 juli) met dezelfde lijst aan studies kwam, maar daarbij een radicaal andere conclusie trok: zij verwelkomt juist de oproep. De geschiedschrijving over de oorlogsmisdaden karakteriseert zij als een verhaal van ‘eb en vloed’, maar meestal toch eb.

Wat Vlasblom vergeet (en wat Locher-Scholten wél beseft) is dat geschiedwetenschap een cyclisch proces is van empirisch onderzoek, theoretische bespiegelingen, wetenschappelijk debat, politieke en publieke aandacht en weer opnieuw empirisch onderzoek. Geschiedenis is een ‘discussie zonder einde’, zoals de Utrechtse historicus Pieter Geyl (1887-1966) al zei. Het opvallende is nu dat het onderzoek naar de Nederlandse oorlogsmisdaden na tijdelijke opleving steeds weer in de vergetelheid raakt. Het wiel moet elke keer opnieuw worden uitgevonden.

Dat is jammer: we hadden al zo ver kunnen komen in de tussentijd. Historisch onderzoek naar de koloniën is namelijk flink geëvolueerd de afgelopen decennia. Zo is er tegenwoordig meer aandacht voor ‘oral history’, voor de overeenkomsten en verschillen met andere Europese koloniale rijken en richten historici zich vaker op de financieel-economische en de culturele geschiedenis van de koloniën.

Kortom: het is ronduit cynisch dat Vlasblom de oproep van de drie instituten bagatelliseert als een opgeklopte hype ter wille van snel geld. In ideale omstandigheden hadden de drie instituten namelijk al lang voldoende geld gehad om zich permanent bezig te houden met dit soort vraagstukken. Helaas: de Nederlandse overheid investeert liever in topsectoren en wil de geesteswetenschappen bijna alleen maar ondersteunen als het gaat om ‘gaming’, ‘design’ of ‘entertainment’. Over gevoeligheid voor hypes gesproken! Het probleem is echter niet dat we hypes ondersteunen maar juist dat we onderzoek niet meer steunen als het onhip wordt.