Of het veilig is? Nergens is het veilig

Vorig jaar woonde journalist Maarten Zeegers nog in Arbin, Syrië. Nu wordt er gevochten in de stad die hij zo goed kende en is de straat waar hij zijn thee dronk kapotgeschoten.

Rotterdam. Dingen veranderen. En soms sneller dan je denkt.

Vorig jaar zat ik bijna iedere avond met Walid in het reisbureautje van zijn vader in Arbin, een voorstad van Damascus. We dronken thee met suiker (eigenlijk: suiker met wat thee), rookten stiekem sigaretten, of keken naar pornofilmpjes die Walid in een versleutelde map op de computer van zijn vader had verborgen. De map was een ongekende luxe in het ultraconservatieve stadje waar vrouwen nauwelijks op straat komen, of hoogstens in vormloze jassen met een gezichtsluier (niqab) en zonnebril. Die avonden met Walid konden niet lang genoeg duren.

Maar dingen veranderen.

De revolutie kwam naar Arbin en daarmee het geweld. Van het bedrijfje is niets meer over. Kapotgeschoten, net als de andere winkels in de straat. En sinds vorige week heeft het geweld zich ook verplaatst naar de hoofdstad. „Damascus staat in brand” vertelt Walid over de telefoon. „Bid voor ons, alsjeblieft.”

Walid was afgelopen donderdag teruggekomen vanuit Libanon, maar nu zit hij vast in Damascus. Arbin kon hij niet meer bereiken, omdat overal in de tussenliggende wijken vuurgevechten aan de gang waren of omdat ze gebombardeerd werden door het regeringsleger. Walid bracht de eerste nacht door op zijn werk en verblijft nu in een hotelletje in het centrum van de stad, dat propvol zit met vluchtelingen uit andere wijken. „Of het daar veilig is?” smaalt Walid. „Nergens is het meer veilig.”

De afgelopen dagen lag Arbin weer hevig onder vuur door tanks en artillerie. Walids vader en moeder zijn ondergedoken in een schuilkelder, maar Walid weet niet hoe het met hen gaat. Hij kan hen niet te pakken krijgen, omdat de telefoonlijnen in Arbin plat liggen. „Het is heel moeilijk nu. Heel moeilijk... Ze hebben weer de hele dag Arbin gebombardeerd.”

Op internet surf ik naar de Facebook-pagina van het lokale coördinatiecomité van de revolutie in Arbin. De beelden van de stad die ik zo goed ken doen pijn. Foto’s van raketten van Russische makelij, kapotgeschoten woningen, overal mensen op de vlucht. Op een filmpje rent een moeder over straat met een kind in haar armen, terwijl het geluid van een automatisch geweer hoorbaar is. Ze is blootsvoets. Tijd om schoenen aan te doen was er niet meer.

Ik kijk naar Sarah naast me op de bank. Ze is Syrisch. Vorig jaar, bij de eerste demonstratie tegen het regime, leerden we elkaar kennen. Nu zijn we getrouwd en wonen samen in Europa. Als zij nu nog in Damascus zat, zou ze dan ook zo over straat rennen? Op blote voeten. Niet wetend waarheen.

Sarahs vader bevindt zich nog steeds in Syrië. Iedere dag smeekt mijn vrouw hem bijna om naar Libanon te gaan. Hoewel hij altijd heeft geweigerd zijn huis te verlaten, begint ook hij langzamerhand in te zien dat vluchten misschien toch de beste optie is. De tas met zijn paspoort en belangrijke documenten staat in ieder geval al klaar in de gang. De vraag is alleen of hij het land nog wel uitkomt. Walid vertelt dat de Syrische autoriteiten bij de grens met Libanon veel vluchtelingen weer terugsturen.

Walid wilde zelf voor de revolutie altijd weg uit Syrië. Naar Europa, want daar was alles beter. Vrijheid om te doen wat je wil, geld dat je van de straat kan oprapen, en, misschien wel het belangrijkste, blonde vrouwen die nergens moeilijk over doen.

Maar dingen veranderen.

Naar het buitenland wil Walid niet meer. „Ik was de vorige week voor mijn werk in Libanon”, vertelt hij. „Onleefbaar. En zo verschrikkelijk duur. In dit soort tijden wil je toch in je eigen land zijn, bij je eigen familie. Morgen ga ik terug naar Arbin. Als het kan…”

Maarten Zeegers studeerde in Syrië, toen er opstand uitbrak tegen president Bashar al-Assad. Hij deed verslag in nrc.next tot hij in juli 2011 het land werd uitgezet.