Een huis voor de gekke en de grote vragen

Het nieuwe Naturalis moet topmuseum én wetenschappelijk topinstituut ineen worden. Directeur Van Huis vertelt hoe.

Redacteur Biologie

Sinds januari 2010 werken plantenkenners, geologen, schelpdierkundigen, evolutiebiologen en andere specialisten in de ‘biodiversiteit’ samen in één instituut dat sinds vorige week ‘Naturalis Biodiversity Center’ heet. Ze verhuisden, vanuit het Amsterdamse Zoölogisch Museum en het Nationaal Herbarium Nederland (Leiden, Wageningen) naar Naturalis. Het nieuwe instituut kreeg 30 miljoen euro uit de aardgasbaten, om op te starten.

Het instituut moet een topinstituut worden. Dat was het nog niet. Bij een onafhankelijke visitatie, vlak na de opening in 2010, werd geconcludeerd dat ‘de kwaliteit van het onderzoek sterk verbeterd moet worden’ om de wetenschappelijke ambities van het museum (met inmiddels circa honderd wetenschappers in dienst) te verwezenlijken.

Directeur Edwin van Huis is daarvoor sinds een jaar verantwoordelijk. Van Huis studeerde biologie, maar werkte nooit als wetenschapper – hij leidde twaalf jaar het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Zijn bestuurskamer is opgesierd met opgezette mussen.

Kan dat wel, een goed museum zijn én een goed wetenschappelijk instituut?

„Het lijkt me juist een groot voordeel. Wij laten het publiek kennismaken met de natuur en biodiversiteit – allerlei gekke en interessante dingen. Maar dat moet samengaan met de grote, belangrijke vragen over de natuur en daar gaat ons onderzoek daarover. Over ruimtelijke ordening, milieu, voedselvoorziening. Hoe voeden we nog 5 miljard mensen extra? Hoe maken we planten die beter tegen droogte kunnen of minder kunstmest nodig hebben?”

U klinkt alsof u directeur bent van de Wageningen Universiteit. Hier in Naturalis zijn toch geen plantenkassen?

„Nee, maar wel laboratoria, bijvoorbeeld voor DNA-onderzoek. Het punt is: als je die grote vragen wil beantwoorden, moet je eerst allerlei planten, dieren of schimmels goed kennen. Welke kenmerken ze hebben, hoe ze geëvolueerd zijn en met elkaar samenhangen. Het meeste biologisch onderzoek gebeurt met een paar modelsoorten waarvan het genoom als eerste uitgeplozen was, maar dat is heel beperkt. Denk aan tomaten: de allereerste tomaat die ooit bewaard is gebleven, uit 1543, zit in onze collectie. Misschien heeft die wel eigenschappen die moderne tomaten verloren hebben en waar kwekers geïnteresseerd in zijn.”

Is er met die nadruk op grote, brede vragen nog wel plek voor de biologische specialisten waarvan Naturalis er eerst zo veel had?

„Jawel, maar we hebben de structuur van het instituut erg aangepast. We werken nu in multidisciplinaire groepen. Bijvoorbeeld over de Mekongdelta in Vietnam, waar nu naar Nederlands voorbeeld deltawerken aangelegd worden. Daarvoor zitten ecologen, plantkundigen, zeebiologen en geologen bij elkaar. Dat duurt tot het project klaar is, het zijn geen vakgroepen.”

Hoe staat het nu met het wetenschappelijke niveau?

„De internationale wetenschappelijke adviesraad is buitengewoon tevreden met de voortgang. Verder zijn we druk om apparatuur aan te kopen. Alleen met goede voorzieningen kunnen we toponderzoekers trekken.”

Hoe vaak stonden uw onderzoekers vorig jaar in de topbladen?

„Dat weet ik niet uit m’n hoofd.” Een uur later mailt een woordvoerder de stand: sinds januari 2011 één publicatie in Nature, twee in Ecology Letters (het belangrijkste ecologieblad) en een ingezonden brief in Science. Van Huis: „Maar wat ik belangrijker vind: ons niveau moet elk jaar stijgen.”

Klopt het dat u het oude gebouw in de Leidse binnenstad weer als museum in gebruik neemt?

„Niet als museum, maar meer als ruimte voor lezingen op de grens van filosofie, kunst en natuur. Naturalis is vooral een museum voor families. Studenten, of mensen die NRC lezen, willen ook wel op een andere manier met het onderwerp bezig zijn.”