Duitsland financieren? Alleen tegen vergoeding

Zwitserland, Denemarken, Duitsland, Nederland, Finland. Deze vijf landen maken een unieke periode door bij hun overheidsfinanciën: ze betalen op staatsleningen met een looptijd tot twee jaar, en in sommige gevallen zelfs langer, een negatieve rente.

Deze toestand op de obligatiemarkt leidt bij veel lezers tot de vraag hoe dat in zijn werk gaat. Moet je als belegger dan jaarlijks bijbetalen als je een staatslening van een van deze landen koopt?

Zo ingewikkeld is het gelukkig niet. Het zou een machtiging vergen om geld van de rekening van de belegger af te schrijven en dat is even omslachtig als ondenkbaar.

Als een land een obligatie op de markt brengt, dan heeft deze een zogenaamde couponrente. De koers van de obligatie is 100 euro en de couponrente bijvoorbeeld 5 euro. Als deze obligatie nu in koers daalt, dan loopt de effectieve rente op. Stel de koers gaat naar 90 euro, dan wordt er nog steeds 5 euro rente betaald. De ‘effectieve’ rente (5 op 90) gaat dan naar 5,55 procent. Als in het geval van Griekenland de koers van de obligatie keldert naar nog maar 40 euro, dan wordt de effectieve rente (5 op 40) 12,5 procent.

De werkelijke berekening is wat gecompliceerder, want moet rekening houden met de gemiddelde looptijd van de obligatie en andere technische zaken. Maar in wezen komt het mechanisme op het bovenstaande neer. Het kan ook de andere kant op. Een staatslening met een rente van 5 waarvan de koers stijgt van 100 naar 160 ziet de effectieve rente (nogmaals in deze eenvoudige calculatie) dalen van 5 procent naar 3,1 procent.

Wat gebeurt er nu als een land een lening uitschrijft met een couponrente van 0 procent? Dat is, bij kortlopende staatsleningen in de sterkste eurolanden en landen die als vluchtheuvel dienen, nu namelijk het geval. Stel dat beleggers bij de veiling van die lening deze zo graag willen hebben dat de staat hen de lening kan verkopen voor een koers van 101.

In dat geval krijgt een belegger allereerst geen rente en betaalt hij 101 voor een lening die aan het einde van de rit wordt afgelost voor het geleende bedrag: 100. Er is dus een verlies van 1. En dat is, in termen van obligatiebeleggers, een negatieve rente. En hoe verder de koers oploopt, hoe negatiever deze ‘rente’ wordt. Het geldt eigenlijk voor alle gevallen waarin zoveel voor een obligatie wordt betaald dat dit de opgetelde rentevergoedingen over de resterende looptijd overtreft.

Voor de goede orde: negatieve couponrentes bestaan niet. In dat geval zou er daadwerkelijk een afspraak moeten komen dat de belegger de staat jaarlijks een bedrag betaalt. En dat is, nogmaals, niet goed denkbaar.

Dat is het wél bij een ander, potentieel geval van negatieve rentes. De Europese Centrale Bank (ECB) verlaagde begin deze maand zijn officiële rente waartegen banken van de centrale bank mogen lenen tot 0,75 procent. De rente waartegen banken hun geld kortstondig mogen stallen bij de ECB ging naar nul procent.

Deze laatste rente, de zogenoemde depositorente, kan theoretisch wel degelijk negatief worden. Banken betalen in dat geval een boete voor het stallen van hun geld in Frankfurt.

Willem Buiter, de Brits-Nederlandse econoom, heeft vorig jaar al eens gesteld dat negatieve rentes op deze manier best denkbaar zijn voor het grote publiek: een boete voor het stallen van geld op de rekening. Een aardig experiment, maar de omstandigheden die zo’n maatregel nodig zouden maken, zouden buitengewoon zorgwekkend zijn. En misschien geldt dat nu ook al, voor die negatieve rentes op de obligatiemarkt.