Beweringen uit het PVV- verkiezingsspotje

De aanleiding

In aanloop naar de verkiezingen op 12 september komen steeds meer partijen met hun verkiezingsspotjes. Zoals gebruikelijk trok die van de PVV tot nu toe de meeste aandacht. Daarin worden dan ook de meest boude beweringen gedaan. Sterker nog, in de spotjes van de andere partijen zijn de stellingen zo algemeen geformuleerd – en daardoor vaak onderling inwisselbaar – dat er niets te checken valt. Dat geldt vooral voor die van de ChristenUnie, het CDA en D66, en in iets mindere mate voor de SP. In het spotje van de PvdA speelt lijsttrekker Diederik Samsom een centrale rol. Zijn beweringen gaan vooral over hemzelf en zijn daardoor lastig te checken. Daarom controleren wij hier drie beweringen uit het spotje van de PVV.

‘Nederland is de grootste nettobetaler van Europa: kosten 7 miljard euro per jaar.’

Of Nederland inderdaad de grootste nettobetaler aan de Europese Unie is, hangt af van welke rekenmethode wordt gebruikt. Nederland ligt al jaren met de Europese Commissie in de clinch over wat de meest rechtvaardige berekening is. Nederland rekent ook de invoerrechten in de Rotterdamse haven mee, waarvan Nederland een deel aan de EU afdraagt. Maar Brussel ziet dat niet als een afdracht, omdat die rechten worden geheven voor de gezamenlijke Europese markt.

Volgens de Nederlandse rekenmethode was Nederland, uitgedrukt in een percentage van het bruto nationaal inkomen, in 2010 (meest recente cijfers van de Algemene Rekenkamer) inderdaad de grootste nettobetaler, gevolgd door Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Volgens de Europese Commissie was België de grootste nettobetaler, gevolgd door Duitsland en Zweden.

Dat de kosten voor Nederland 7 miljard euro per jaar zijn klopt echter niet. De netto betaling wordt uitgedrukt in het saldo van de afdrachten aan de EU en de ontvangsten (vooral via subsidies voor bijvoorbeeld boeren). Dat (negatieve) saldo was -3,5 miljard euro in 2010 volgens de Nederlandse rekenmethode en -1,8 miljard euro volgens de methode van de Europese Commissie. De PVV benoemt in zijn bewering alleen wat er volgens de Nederlandse methode in 2010 aan de EU werd afgedragen (inderdaad zo’n 7 miljard), maar niet wat er uit Brussel werd terugontvangen.

Conclusie

Volgens de rekenmethode die de Nederlandse regering hanteert, was Nederland in 2010 inderdaad, uitgedrukt in een percentage van het bruto nationaal inkomen, de grootste nettobetaler aan de EU. Maar volgens de methode van de Europese Commissie was België de grootste nettobetaler. Dat de kosten van Nederlandse netto 7 miljard euro zijn, is onwaar. Volgens de Nederlandse rekenmethode bedroeg het saldo in 2010 -3,5 miljard euro en volgens de Europese Commissie -1,8 miljard euro. Al met al beoordelen wij de bewering „Nederland is de grootste nettobetaler van Europa: kosten 7 miljard euro per jaar” als grotendeels onwaar.

‘Alleen de Partij voor de Vrijheid zegt: uit de Europese Unie, uit de euro.’

Diverse Nederlandse partijen zijn uiterst kritisch over de EU en de euro, maar geen van alle zegt ronduit met beide te willen stoppen. De SP voerde in het verleden campagne voor een terugkeer naar de gulden, maar daarvan is in het verkiezingsprogramma niets meer terug te vinden. Volgens de socialisten is het opbreken van de eurozone, nu die er eenmaal is, te kostbaar. Ook het lidmaatschap van de EU staat bij de socialisten niet ter discussie. Al wil de partij de Brusselse invloed op diverse terreinen terugdringen, net als de ChristenUnie en de SGP, die ook kritisch zijn. Deze partijen zeggen de eurozone niet koste wat kost in de lucht te willen houden en bepleiten een onderzoek naar opsplitsing. Uit de EU stappen willen ze geen van beide. De nieuwe partij van Hero Brinkman, Democratisch Politiek Keerpunt, wil in de EU blijven, maar uit de huidige euro stappen. Daarvoor in de plaats moet de ‘neuro’ komen, een gemeenschappelijke munt van rijke Noord-Europese EU-landen. Alle andere partijen zijn in grote lijnen voor de euro en de EU. De bewering dat de PVV de enige Nederlandse partij is die zowel uit de euro als uit de EU wil stappen, is dus waar.

‘Nederland heeft nauwelijks nog iets te zeggen over haar eigen immigratie. Brussel is de baas over onze grenzen en Rutte steunt dat.’

Kort na de eeuwwisseling, toen de Fortuyn-revolutie al volop in gang was, heeft zich vrij ongemerkt een omwenteling voorgedaan in het immigratiebeleid. Vooral toen is Nederland Europese afspraken aangegaan die de bewegingsvrijheid van Nederlandse politici drastisch beperken. Vaak werden die afspraken gemaakt met instemming van toenmalig VVD-minister Rita Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie, 2003 tot 2006). Uit het Verdrag van Amsterdam (1997) zijn begin deze eeuw talloze richtlijnen en verordeningen voortgekomen die op hoofdlijnen asiel en migratie regelen. Zo werd het nationale beleid voor gezinshereniging begin 2003, onder goedkeuring van toenmalig minister Hilbrand Nawijn (Justitie, LPF), vervangen door Europees recht. Met instemming van de VVD, waar Geert Wilders toen nog lid van was.

Europese verdragen hebben nu grote invloed op de meest omstreden groepen migranten: asielzoekers en huwelijksmigranten. Daarnaast heeft het Europees Hof van Justitie het recht op vrij verkeer van personen in de loop der jaren fors uitgebreid. Dat recht strekt zich nu uit tot familieleden zonder EU-nationaliteit. Daarom heeft iemand uit een niet-EU-land recht om bij gezinsleden in de EU te zijn.

Dat Nederland nauwelijks nog iets te zeggen heeft over haar eigen immigratie is dus waar.

Dat demissionair premier Rutte dat zou steunen, niet. De laatste jaren zoekt de VVD naar mogelijkheden om onder de Europese verplichtingen uit te komen. In aanloop naar de verkiezingen in 2010 onderzochten de Kamerleden Paul de Krom (nu demissionair staatssecretaris van Sociale Zaken) en Stef Blok (nu fractievoorzitter) wat de mogelijkheden waren. Die bleken beperkt. In het VVD-verkiezingsprogramma van 2010 stonden vijf maatregelen op dit gebied die strijdig waren met een waslijst aan Europese wetten en soms het VN-Vluchtelingenverdrag. Een Europese richtlijn kan om de zoveel jaren worden herzien. Veranderingen moeten worden gesteund door een meerderheid van lidstaten, anders gebeurt er niets. Minister Leers (Immigratie en Asiel, CDA) is er de voorbije jaren niet in geslaagd zo’n Europese meerderheid te organiseren.

De opt-out van de gehele Europese migratiewetgeving zoals die in het PVV-programma staat, werd al in 2010 door de VVD bepleit. Maar een opt-out voor Nederland is alleen mogelijk als het Verdrag van Lissabon wordt gewijzigd. En zo’n verdragswijziging vereist ratificatie in alle 27 EU-landen. Ook dat wordt lastig dus. Bovendien is Nederland ook na zo’n opt-out nog gebonden aan VN-verdragen die bijvoorbeeld het maken van onderscheid tussen immigranten (discriminatie) verbieden.

Conclusie

Dat Nederland nauwelijks nog iets te zeggen heeft over de eigen immigratie is waar. Daar hebben Nederlandse ministers, waaronder die van VVD en LPF, zelf mee ingestemd. Dat demissionair premier Rutte dit steunt klopt niet. Je zou kunnen redeneren dat de VVD dit beleid steunt door lid te willen blijven van de EU, maar als Rutte het in de EU helemaal zelf voor het zeggen zou hebben, zou het immigratiebeleid een stuk nationaler worden. De VVD zoekt namelijk al een tijd, vooralsnog zonder succes, naar manieren om meer nationale zeggenschap te krijgen om zo het Nederlandse immigratiebeleid aan te scherpen. De bewering „Brussel is de baas over onze grenzen en Rutte steunt dat” beoordelen wij daarom als half waar.