Veel gevechten eindigen nu met deserterende Syrische militairen

Het Vrije Syrische Leger begon als een groep strijders zonder strategie. Dat beeld is veranderd. „We doen het zelf. Dit is onze revolutie”, zeggen ze in Bab al-Hawa.

Uitgebrande vrachtwagens bij de grensplaats Bab al-Hawa (boven), begrafenis van een strijder van het Vrije Syrische Leger (links), een vrachtwagen wordt leeggehaald door burgers in Bab al-Hawa. Foto’s AFP

De weg naar Bab al-Hawa ligt bezaaid met resten van strijd. Nog geen kilometer vanaf de Turkse grenspost vullen uitgebrande autowrakken de bermen. ‘Welcome in Syria’ zegt het blauwe bord, hier neergezet in tijden dat de handel tussen deze buurlanden nog levendig was. Nu worden de vrachtwagens als gewonde strijders uit de puinhopen getrokken door terreinwagens. Met voorruitten vol barsten en sterren van geschampte kogels.

„Het is hier niet veilig”, zeggen twee alawitische Turken die in een oude Mercedes de oversteek wagen. „Overal zitten strijders van het Vrije Syrische Leger.” Dat is slecht nieuws voor alawieten, van wie de meesten in de afgelopen zeventien maanden pal zijn blijven staan achter president Bashar al-Assad, ook alawiet. De Mercedes spurt weg als de chauffeur strijders met kalasjnikovs de weg ziet oversteken. Achter hun rug komen rookpluimen uit de duty free winkel van Bab al-Hawa. Dorpelingen komen met bakfietsen en brommers aangereden om de dozen vol whisky’s en gin tonic weg te slepen. De airconditioner gaat achterop, twee archiefkasten en een brandkast worden aan een touw weggesleept.

„Dit is nu allemaal in handen van het Vrije Syrische Leger”, gebaart kapitein Aymen Dush over de puinhopen. „Het Syrische leger zit anderhalve kilometer van ons vandaan. Maar daar omheen hebben we ze omringd. Ze zijn van de buitenwereld afgesneden. Ze hebben niets meer te eten of te drinken. Ze zitten als ratten in de val.” Vier maanden aasden de strijders op deze grenspost. Nu de ogen van de wereld deze week gericht waren op Damascus, waar president Assad vier hoge functionarissen kwijtraakte, sloegen de strijders langs de grenzen met de buurlanden hun slag. Driehonderd kilometer oostwaarts is nog een grenspost ingenomen. Zelfs de belangrijkste doorgang naar Irak heeft het Syrische leger verloren.

„Met hulp van God”, zegt kapitein Mohammed, een klein ringbaardje rond zijn kin. Zoals de meeste strijders hier, draagt een kalasjnikovs. Bij dit gevecht hadden de strijders ook de beschikking over SAM-7 raketwerpers, gekocht met geld dat de Golfstaten sinds april naar de strijders sluizen. „Deze plek is belangrijk voor Assad”, zegt kapitein Dush. „Hier verdient hij zijn geld. De soldaten vielen de afgelopen maanden steeds auto’s aan uit Turkije of Europese landen omdat die de revolutie zouden steunen. Dat is nu voorbij.”

De kapitein wijst over de heuvels. Daar staan de tanks van het leger. Hij tuurt tijdens het gesprek meermalen naar de hemel, bevreesd voor de gevechtshelikopters die het leger in naburige dorpen heeft ingezet. De overwinning smaakt zoet, maar is onzeker. Als er geweerschoten van achter de heuvels klinken, spurten dorpelingen en strijders in volle vaart terug naar de Turkse grens.

Anderhalf jaar geleden was het Vrije Syrische Leger niet meer dan een groep boze strijders, zonder duidelijk commando of strategie. Het was een samenraapsel van gedeserteerde militairen uit het Syrische leger, die meestal als onafhankelijke cellen in hun dorpen de strijd aangingen met het half miljoen man sterke regeringsleger. Af en toe veroverden ze een straat of een buurt om die snel weer op te geven als zwaar geschut werd ingezet.

Dat beeld is deze week veranderd. De sfeer in de vluchtelingenkampen langs de Turkse grens, het hoofdkwartier van het Vrije Syrische Leger ademt niet langer de hopeloosheid van een maand geleden. In de gevechten rond Damascus gebruiken de strijders mortieren, gistermiddag nog bij een aanval op het vliegveld. Veel gevechten eindigen met de desertie van tientallen soldaten. Ook hier in Bab al-Hawa staken volgens activisten veertig soldaten over naar de andere kant van de barricaden.

De strijders raken ook bedreven in het maken van explosieven. Terug in Turkije, in een Ottomaans café in de stad Antakya doet Nezar Mahmood uit de doeken hoe. Hij werkte meer dan tien jaar voor de regering van vader en zoon Assad. Als wetenschapper was hij betrokken bij het geheime wapenprogramma van de Syrische regering. „We haalden overal ons materiaal vandaan. Rusland, Turkije, zelfs de Verenigde Staten. Maar dat mocht niemand weten.”

Vorig jaar winter deserteerde hij en vluchtte hij naar Turkije. Daarvandaan geeft hij jonge strijders in Syrië via skype advies bij het fabriceren van bommen. „Ik maak bommen”, zegt hij luid. „Ik moord.” Het wordt stil in het café, maar hij praat door. „Mijn eerste advies is altijd: je eerste fout is je laatste fout.” Hij lacht. „En alles wat met elektriciteit te maken heeft, komt als laatste. Als allerlaatste, tenminste als je wilt blijven leven.”

Bij de eerste bommen gebruikten de strijders meer dan 70 kilo aan explosief materiaal. „Nu weten ze dat ze aan 2 kilo genoeg hebben voor een tank.” Volgens de ingenieur beschikt het Vrije Syrische Leger nu ook over mijnen die onderaan tanks blijven kleven en later als de tank de legerbasis heeft bereikt, op afstand tot ontploffing kunnen worden gebracht.

De meeste wapens van het Vrije Syrische Leger komen nog steeds van het staatsleger. Gedeserteerde soldaten nemen ze mee als ze overlopen. Anderen verkopen ook aan de strijders. „En dan kopen we ook nog een en ander bij Hezbollah in Libanon en van de Koerden in Turkije”, zegt Nezar Mahmood. „Maar het is klein grut. Wat we nodig hebben zijn raketten, helikopters. Waar zijn de zogenaamde Vrienden van Syrië? Ze helpen honden nog eerder dan ons.”

Dit is een veelgehoorde klacht rond de kampen in Antakya. Europa en de VS uiten weliswaar dagelijks hun bezorgdheid over het bloedvergieten in Syrië, maar kijken toe met de armen over elkaar. „Nu willen we die hulp niet meer. We doen het zelf. Dit is onze revolutie”, zegt Mahmood die vanuit Antakya een bataljon in de hoofdstad leidt. „Maar ik waarschuw het Westen nu al dat de regering die na Assad aan de macht komt, niet zal dansen naar het pijpen van het Westen. Dit is ons land.”

De strijd in Syrië nadert het eindspel. Dat is de overtuiging aan beide kanten van deze grens. „We komen er aan”, zeggen de strijders in Bab al-Hawa. Hoewel alle ogen op Damascus zijn gericht, is iedereen ervan overtuigd dat de laatste veldslag niet in de hoofdstad maar in de havenplaats Latakia zal plaatsvinden, de geboorteplek van Assad. Bommenmaker Mahmood weet zeker dat Assad zich al heeft ingekwartierd.

Brigadier Mohammed Idris deserteerde 25 dagen geleden uit de politiemacht van Latakia. „De hele politiemacht wordt nu gezuiverd door de alawieten.” Idris is een sunniet. 23 jaar werkte hij bij de politie. Hij droeg zijn uniform met trots, voor het gezag, de blikken van de meisjes. Hij vertelt zonder schroom over de martelmethoden die hij toepaste op verdachten. Favoriet was al-shabeh, het spook. „Je hangt hem met zijn handen aan een paar ringen en trekt hem dan naar het plafond, totdat zijn tenen nog net de vloer raken. Zo laat je hem hangen. Net zo lang tot hij gaat praten.” Drieënhalve maand geleden werd hij zelf gearresteerd, omdat collega’s hem afkeurend hoorden praten over de acties van het Syrische leger tegen ongewapende burgers. Ineens stond hij aan de andere kant. Zijn beul was een oude studievriend van de militaire academie. Een alawiet.

„Het regime heeft niets meer te verliezen”, waarschuwt Idris. „Zelfs voor chemische wapens zal hij niet terugdeinzen.” Idris leidt nu de vakbond voor gedeserteerde politieagenten. In Antakya bereiden ze zich voor op een nieuwe staat. „Wie moet anders straks de orde handhaven als de regering eenmaal is gevallen.” De plunderingen in Bab al Hawa zijn een slecht voorteken. „Het nieuwe Syrië mag niet weer een staat van dieven worden.”