Vader: 'Hij voelt markt goed aan'

Frank van Campen begon in 1982 in de garage van zijn huis een verzekeringsbedrijf. Nu haalt Van Campen & Dijkstra, registermakelaars in assurantiën, een miljoenenomzet. In 2005 nam hij zijn stief- en schoonzoon Job Steen- land in dienst, die begin dit jaar vennoot werd.

Frank van Campen (57), getrouwd. Vier kinderen uit een eerder huwelijk, drie stiefkinderen uit zijn tweede huwelijk. Begon in 1982 zijn eigen bedrijf als intermediair in het verzekeringswezen. In 1997 werd de eenmanszaak een besloten vennootschap.

„De kinderen van mijn vrouw zie ik als mijn eigen kinderen. Job is dus mijn zoon. Na zijn studie vroeg hij of hij een jaartje bij mij mocht komen werken. Ik heb erover na moeten denken, maar heb hem toch een jaarcontract gegeven. Mijn compagnon deed de begeleiding. Ik stond daarvoor veel te dichtbij.

„Ik zag het commerciële talent van Job meteen, maar zo nauw samenwerken kan een impact hebben op je familieleven. Mijn vrouw was wat afwerend, we zitten al zo dicht op elkaar omdat Job getrouwd is met mijn dochter. Maar het ging dat jaar zó goed, dat hij is gebleven.

„Job is een echte ondernemer. Voelt heel goed aan wat de markt wil, legt makkelijk contacten met mensen. Toch werd het pas duidelijk dat hij vennoot zou worden toen mijn compagnon aangaf met pensioen te willen. Het was een keuze voor de continuïteit van het bedrijf. Dat hij mijn zoon is, heeft er niets mee te maken.

„Ik heb mijn kinderen nooit gestimuleerd om mijn zaak over te nemen. Ze moeten kiezen wat ze zelf leuk vinden. Bovendien, dacht ik, krijg ik een veel betere prijs als ik het commercieel verkoop. Toch doet het me wel wat dat ik er nu ook na mijn pensioen dichter bij betrokken blijf. Ik zal me best vereerd voelen als Job straks met me wil overleggen. Maar ik ga niet over mijn graf heen regeren.

„Omdat we nog een andere vennoot hadden, heeft Job zich niet voor een vriendenprijs ingekocht. Maar van een derde had ik het geld in één keer willen hebben, nu kan het in fases. Je hebt natuurlijk een ander vertrouwen in je eigen kinderen.

„Mocht Job het bedrijf op een dag verkopen en er veel meer voor beuren dan wij nu, dan zou ik zeggen: ‘Knap gedaan jongen, heel verstandig’.”

`

Zoon: ‘Het was geen gespreid bedje’

Job Steenland (31), getrouwd. Kwam in 2005 in dienst bij Van Campen & Dijkstra als junior assurantieadviseur. Werd vennoot in januari, na de pensionering van vennoot Jan Dijkstra.

„Als Frank met pensioen gaat, wordt onze privésituatie makkelijker. Ik ben getrouwd met zijn dochter, hij met mijn moeder. We zien elkaar dagelijks op ons werk. Dat is een wel heel intensieve relatie. De afspraak is dat we nooit over het bedrijf praten als er een ander familielid bij is. Als we ons werk en ons privéleven door elkaar gaan halen, wordt het een zootje. Maar we zijn natuurlijk niet van steen, dus als je overdag een discussie hebt, kan het soms best vervelend zijn om ’s avonds gezellig samen aan tafel te zitten.

„Ik ben niet op een familiaire manier vennoot geworden, want er waren nog twee compagnons bij betrokken. Je moet het in zo’n onderhandelingstraject eens worden over prijzen, over wanneer, over hoe. Dan kom je patstellingen tegen. Ook tussen Frank en mij. We hebben mijn moeder daar altijd buiten gehouden. Zij zou het gevoel kunnen hebben dat ze partij moest kiezen tussen haar man en haar zoon. En hoewel ik mijn vrouw meer vertelde, was ik ook bij haar voorzichtig.

„Zodra duidelijk werd dat ik goed ben in dit werk, wist ik dat ik het bedrijf op een dag zou willen overnemen. Tegen aanbiedingen van andere bedrijven heb ik altijd nee gezegd. Een collega noemde mij eens de kroonprins. Maar dat ben ik niet. Het was geen gespreid bedje. Juist omdat ik Franks zoon ben, heb ik altijd heel hard geknokt tegen het vooroordeel dat het me aan is komen waaien. Ik zorgde voor de beste productiecijfers, werkte het hardst. Alleen in het overnametraject heeft onze familieband geholpen. Er was één moment dat we vastzaten. Ik ben toen privé naar Frank toegegaan om het recht te trekken. Zo hebben we het kunnen oplossen. Dat was bij een vreemde een stuk lastiger geweest.”