‘Stront en god in één zin, kan dat bij jullie?’

Jan Leyers wordt de eerste Vlaamse presentator van Zomergasten. Bij een Caesar salade belooft hij de kijkers ‘hooguit één huilbui per avond’.

Zomergasten-presentator Jan Leyers en de entree van het VPRO-gebouw in Hilversum.

Jan Leyers (54) zegt dat het hem ontzettend is meegevallen hoe de Hollanders reageerden. De reacties waren positief en op z’n ergst afwachtend toen bekend werd dat een Belg Zomergasten zal presenteren. „Als het andersom was geweest, een Nederlandse presentator in een prestigieus Vlaams programma, waren de reacties azijniger geweest.” En mochten kijkers hem morgen, in zijn eerste uitzending, vinden tegenvallen, dan is dat „een oordeel en geen vooroordeel”.

Zomergasten werd gepresenteerd door cabaretiers (Freek de Jonge, Paul de Leeuw), schrijvers (Adriaan van Dis, Joost Zwagerman, Connie Palmen) en journalisten (Hanneke Groenteman, Jelle Brand Corstius). Dit vijfentwintigste seizoen is het een filosoof, popmuzikant, documentairemaker, schrijver en Belg. Jan Leyers woont acht kilometer onder Antwerpen en daar spreken we ook af. Hij kiest Caffè Internazionale in de Volkstraat. Niet omdat de Italiaanse eigenaar ervan naar eigen zeggen de ‘beste pastrami van de stad’ maakt, want Jan Leyers is niet zo’n vleeseter. Niet omdat ‘de mooiste dienstertjes’ er bedienen, want dat wist hij niet en ook niet omdat hij zo verzot is op de jazzy sixtiessfeer daar. Hij koos het omdat hij in deze buurt kan parkeren. En nog gratis ook. Voor Zomergasten moet hij vaak in Amsterdam vergaderen. „Een avondje parkeren kost 32 euro.” Hij rekent en doet alsof hij schrikt. „Dat is... dat is 1.200 frank.”

Zijn ogen zijn helder blauw, zijn haar wit grijs, zijn trekken regelmatig en Robert Redford-achtig. Soms trommelen zijn vingers mee met een saxofoonloopje uit de achtergrondmuziek, of hij neuriet de trompetpartij. Hij drinkt bruiswater. Ik vraag hoe hij het aan gaat pakken, zes programma’s van drie uur met steeds een andere gast. Hij leest over zijn gasten en hij bekijkt de fragmenten die ze die avond willen laten zien, zegt hij. „Want dat is basically wat het programma is. Een gast die twaalf tot vijftien stukjes van interessant commentaar voorziet.” Op voorhand laat hij zich niet zenuwachtig maken, ook al krijgt hij een „waaier aan wenken en adviezen”. „Ik geloof niets van niemand. Zo vaak ben ik zelf gesignaleerd op plekken waar ik nooit was, in gezelschap van mensen die ik niet ken. Zo vaak ben ik gewaarschuwd voor moeilijke mensen die meevielen. Ik heb geleerd er niet meer naar te luisteren.” Er zijn mensen die zich afvragen of hij de Nederlandse cultuur wel goed genoeg kent. Hij denkt van wel. „In de jaren zeventig, de jaren van mijn jeugd, keken wij Belgen naar Nederland. Jullie beleefden een mini-Gouden Eeuw: Golden Earring, Shocking Blue, provo’s, dolle mina’s.” Hij groeide op met Nederlandse televisie. „Swiebertje, Stuif es in en Floris. En ja, ook Zomergasten. „In Vlaanderen heeft het programma dezelfde intellectuele status als in Nederland, en net als bij jullie zijn er meer mensen met een mening over het programma dan er kijkers zijn.” Het is hem trouwens meegevallen hoe weinig high brow, hoe „down to earth” de redactie van Zomergasten werkt. „Alsof we met ons bandje in het repetitiehok zitten. We kunnen dit doen, we kunnen het zo doen.”

Psychiater

Het is zijn ambitie, zegt hij, om het voor de gasten zelf ook een interessante avond te laten zijn. „Dat ze na afloop niet zeggen: ik heb het gekende verhaal weer gedaan.” Hij kent het gevoel, als hij zichzelf in het zoveelste interview weer dezelfde dingen hoort zeggen. „Dat je na een kwartier denkt: mag het over zijn.” Hij heeft nooit op de sofa van een psychiater gelegen, zegt hij. „Maar in een goed interview leert de geïnterviewde zichzelf kennen.” Het is alsof hij vast de lat van deze middag voor me klaarlegt. Ondertussen blijft hij zijn vriendelijke zelf: bereidwillig, maar behoorlijk ongenaakbaar.

Wil hij zijn gast het hoofd of het hart laten kennen?

„Het hart zal niet over het hoofd worden gezien.”

Gaat hij op zoek naar meningen of gevoelens?

Hij grinnikt. „Eén huilbui per avond.”

En hoe doe je dat? Hij lacht zijn tanden bloot. „Dat is zoiets als voor de show aan de goochelaar vragen uit welke mouw het konijn zal komen.”

Laat hij het zo zeggen. Als er bij de kiosk twee bladen liggen, met op de ene cover: ‘Exclusief: de nieuwe liefde van...’ en op de ander: ‘Exclusief: wetenschapper ontdekt een nieuw rijmwoord op herfst’, dan kiest hij voor het blad met de wetenschapper.

De gasten, zegt hij, zijn vooral geselecteerd om het ‘domein’ dat ze bestrijken. Ieder heeft een andere discipline. Dus niet vier schrijvers, of drie acteurs. Of alleen maar mannen. Dat ze allemaal, op één na, boven de zestig zijn, is per ongeluk, maar hij vindt het geen bezwaar. „Age is but a number.”

Henny Vrientens domein is dat van de muziek en de film. De oud-zanger van de popgroep Doe Maar is morgen de eerste gast. „Het voelt heel comfortabel om met hem te beginnen.” Tussen hem en Henny Vrienten, zegt hij, zit geen diep water. „Wij hebben parallelle levens.” Allebei muzikant, allebei op latere leeftijd tieneridool. „Ik was ook in de dertig toen ik met Soulsister m’n eerste single in de charts had. Mijn co-Soulsister was toen al 40.” Soulsister had misschien minder tieners die op het autodak van de bandleden klommen, maar hun succes was internationaal. „Wij zongen in het Engels.” Tussen de Zomergastenuitzendingen door doet hij nog optredens in een aantal Belgische steden. „Dat zal me deugd doen.” Welnee, geen zenuwen vooraf. „Ik treed al dertig jaar op.”

De onderwerpen van de gasten na Vrienten: literatuur en reizen, individualisme en communisme, toekomst en verleden, oorlog en vrede. „Alle aspecten van het leven”, zegt hij, niet zonder trots.

Ik zeg dat ik een paar dingen mis. Liefde, ziekte, dood.

„Over die onderwerpen zal ongetwijfeld gepraat worden”, zegt hij. „Maar indirecter.”

Hij denkt na en zegt: „Je kunt natuurlijk aan mensen vragen: ‘What’s the fucking point of it all?’”

Nou, vraag ik. Wat is de zin van dit alles?

„Weet ik niet. De vraag zo stellen, levert niet zoveel op. Je kunt beter door het sleutelgat komen dan door de grote poort. Je kunt vragen: ‘Hoe laat is het’, of ‘Wat is je favoriete restaurant’. Maar wat voor antwoord verwacht je als je vraagt ‘Wat is de zin?’ of ‘Gelooft u in God’. Wat kan er dan komen? Alleen gemeenplaatsen.” De kleine vragen, zegt hij, trekken de interessantste antwoorden. En, ter illustratie, strooit hij met nog wat filosofische wijsheden. Hij citeert Martin Heidegger, Duits filosoof: „Je kunt alleen een vraag stellen als je zelf al een idee hebt van het antwoord.” Hij citeert Milan Kundera, Tsjechisch schrijver: „Schrijf over god, en je eindigt gegarandeerd met stront. Maar schrijf over stront, en je eindigt misschien met iets goddelijks.”

Hij slaat zijn hand voor zijn mond. „Kan dat wel bij jullie? Stront en god in één zin?”

Hij heeft gemerkt dat het christelijke geloof nog diep in de Hollanders zit.

Toch niet meer dan in Belgen, met op elke hoek een Mariabeeld en in elke kerk een kaarsje?

Toch wel, zegt hij. „Bij ons is geloof folklore. Als een rood stoplicht in Napels. Symbolico.”

Beroepsdenker

Zijn vader was architect, zijn moeder huisvrouw. Hij is een beroepsdenker. Hij zegt het net niet helemaal serieus. Eigenlijk wilde hij na de middelbare school de muziek in, maar daar was toen geen infrastructuur voor. „Een lp maken, dat was een gebeurtenis.” Hij koos voor filosofie, vooral om de kansen op een kantoorbaan zo klein mogelijk te maken. „Alle opties openhouden.” Achteraf heeft hij argumenten gevonden voor zijn instinctieve keuze toen. „Voor alles in het leven is een Gouden Gids. Alles kun je opzoeken, alleen je wereldbeeld niet.” Hij vertelt hoe leuk hij het als jongetje al vond om na te denken. „Met een oom zag ik een sciencefictionfilm. Het speelde in een toekomst waarin mensen geen gevoel meer hadden. Plots viel een van de personages in de rivier en schreeuwde om hulp. Ik kon eindeloos bezig zijn met de vraag of je om hulp zou schreeuwen als je geen gevoel meer had.”

Daarna kwam de muziek alsnog. En de televisie. Hij presenteerde de talentenjacht Idool. Daarna Nachtwacht, een cultureel programma, en documentaires waarin hij de tocht van de eerste kruisvaarders aflegt, of de weg die de primitieve mens ooit aflegde vanuit Afrika. Hij trouwde, kreeg vier dochters, van wie de oudste 28 is en de jongste 14. „Ik zie u rekenen”, zegt hij. Hij was vader op zijn zesentwintigste. Jong, zeg ik. Zo voelde dat niet, zegt hij. „Het was de tijd van links tegen rechts, de No Future-generatie. Ik dacht: kinderen krijg je toch, dan kan ik het beter niet uitstellen.” En ook bij deze beslissing lijkt hij de argumenten er achteraf bij te hebben gevonden. „Op je veertigste sta je niet graag op voor een blèrende baby.”

Ik kan niet laten te vragen wie er opstond als hij met Soulsister op tournee was. Hij begint zijn antwoord met een anekdote over de blik van zijn oudste dochter, toen hij op een avond thuiskwam na een toer. „Ze was net één. Ze had de windpokken. Ze keek me aan. Met zo’n blik zonder enige herkenning. Even dacht ik: dit moet anders.” Maar hij gelooft niet dat zijn vele weg zijn diepe wonden heeft geslagen. „Mijn vrouw was thuis.” Hij zegt, plagerig provocatief, dat deze rolverdeling natuurlijk „een Victoriaans overblijfsel” is en tegen „de regels en aanbevelingen van de Flair en de Margriet”. En hij zegt er ook meteen maar bij dat hij zich een vurig voorstander van deze rolverdeling zal tonen, mocht men hem naar zijn mening erover vragen.

Als zijn Caesar salade half op is, neemt hij een pil. En nog een en nog een. „Quatral”, zegt hij. Bevordert de weerstand. Dat is het enige waar hij bang voor is, dat hij ziek wordt. Mocht ik ziek worden, dan stel ik voor de televisiestudio te verplaatsen naar een podium op een marktplein. Als ik optreed krijg ik zo’n adrenalinestoot, dan hoest ik anderhalf uur niet.” Ach, hij ziet het wel. Het komt allemaal wel goed. Plus est en vous, dat leerden de jezuïeten hem. Er zit meer in je. „Mijn enige echte talent is dat ik goed kan focussen. Er zijn betere gitaristen dan ik, betere zangers, vast betere presentatoren. Maar ik bijt me vast.”

Zijn oog valt op een klein wit kastje met ijzeren handgrepen met een rood formica blad. Hij springt op en aait het. „Precies zo’n kastje hadden wij thuis in de badkamer staan.” Hij draait zich naar mij om, alsof hij zich ineens iets realiseert. „Dat van dat focussen, wat ik net zei, dat is echt onzin. De laatste drie minuten, dat was gelul.”