Sokken

Vergeet goede benen. Vergeet die fiets met de nieuwste snufjes. Vergeet trainen, doping of hoogtestages. Vergeet winnen, vergeet verliezen. Wielrennen draait eigenlijk maar om één ding: sokken.

Ik weet het, het klinkt raar. Maar toch is het zo. Wielrenners hebben een sokkenfetisj. Hun kousjes moeten precies de juiste pasvorm hebben, precies de goede kleur hebben en precies tot de juiste hoogte komen.

Wielrenners zijn ijdel, en niet zo’n beetje ook. Ze hebben hun eigen subcultuur met hun eigen mode ontwikkeld. Ze scheren hun benen, hun brilmontuur moet passen bij de kleur van het shirt, ze checken in elke etalageruit of ze nog steeds mooi op de fiets zitten. Maar het summum van hun ijdelheid wordt weerspiegeld in hun sokken.

Wielersokjes zijn veel meer dan wielersokjes alleen. Sokjes zijn een statement, een kunstwerk, een uiting van de ziel.

Bach pingelde net zo lang op zijn piano totdat hij die ene noot te pakken had, Rembrandt prutste soms wekenlang aan die ene hand van die ene man daar helemaal links op het doek, Tolstoj herschreef Oorlog en Vrede een keer of driehonderd – en wielrenners denken na over de manier waarop ze hun sokken dragen.

Vroeger, in de Steentijd, moesten wielersokjes wit zijn. In Belgische kermiskoersen mocht je zelfs niet eens starten als je geen witte sokken had – vraag het maar aan Tim Krabbé. De meeste fietsende babyboomers gruwen nog steeds van wielersokjes die niet wit zijn, maar de huidige generatie wielrenners trekt alles aan onder het mom van de mode. Zwart, groen, rood, blauw, pimpelpaars, bont en blauw of rood met witte stippen – de mogelijkheden zijn eindeloos.

Het is allemaal de schuld van Lance Armstrong. Die was de eerste die met een andere kleur sokken (zwart) reed en er nog mee weg kwam ook. Bovendien trok hij ze op tot halverwege zijn kuiten, alsof het badstof tennissokken waren.

Het was destijds not done, maar nu doet het halve peloton hetzelfde. Bradley Wiggins rijdt met zwarte sokken tot halverwege zijn kuiten, Titi Voecklers groen-zwart-witte sokken halen zijn knieholtes en Juan José Cobo fietst in de rondte met donkerblauwe voetbalkousen waar hij de stiknaad uit knipt om ze nóg hoger op te kunnen trekken. Zoals een oud-ploeggenoot van me ooit zei: „Hoe hoger de sok, hoe harder de snok.” Wat dat precies betekent weet ik niet, maar het klinkt in ieder geval goed.

De tegenhanger van de hogesokkenmode is de lagesokkenstroming, aangehangen door Alejandro Valverde en Chris Horner. Die mannen willen hun sok onder geen enkele voorwaarde hoger dan de enkel. Zoiets luistert heel nauw: geef ze een paar sokjes die hun kuiten raken en ze staan huilend aan de start. Michael Boogerd was er vroeger ook zo één: die hield een liniaal langs zijn sokken voordat hij op de fiets stapte. Hij had groot gelijk.

Als je sokken maar goed zitten.

Ik ken eigenlijk maar één wielrenner die geen sokkenfetisj heeft: Bauke Mollema. Vorig jaar stopte Mollema welgeteld drie paar sokken in zijn koffer toen hij naar de Tour vertrok. Na een week regen waren ze allemaal grijs en uitgelubberd. Het interesseerde Bauke geen lor. Sokken zijn sokken, zei hij.

De barbaar.

Thijs Zonneveld is NRC-redacteur en oud-wielrenner.