Sideways en France

Afgelopen donderdag hier over de film Sideways geschreven, de saga over pinot noir. En dan vooral over Sideways II, de sequel van deze kaskraker die als het aan regisseur Alexander Payne ligt niet gemaakt gaat worden. Wat is er nu toch zo bijzonder aan pinot noir? Hij wordt ook wel de ‘wijnmakersdruif’ genoemd. Niet omdat deze held van de rode Bourgogne zo gezeglijk is, maar juist omdat hij een moment van onoplettendheid van zijn baas genadeloos afstraft. Is hij in goede handen, dan laat hij zich van zijn beste kant zien. Maar dat vraagt wel om een ijzeren regime.

‘Snoeien’, luidt het devies. De Bourgogneboer die ‘m kort houdt, wacht weliswaar weinig, maar misschien wel het mooiste rood ter wereld. Waarin aardbeien, donkere kersen, de geur van wild, leer, paddenstoelen en nog zo wat stillevenattributen te ontdekken zijn.

Maar is hij een hebberd geweest dan produceert hij futloos, slap en zurig sap. Toch is ook het verkopen daarvan geen probleem. De ‘liefhebbers’ staan er voor in de rij. Bourgogne is nog steeds een toverwoord. Bij wijze van spreken verlangt zelfs een lege fles al een eerste kassa-aanslag van minstens vijf euro. Daarover circuleert een grapje. ‘Hoe je een arme Bourgogne-wijnboer herkent?’ ‘Die staat zelf zijn Porsche te wassen.’

Inmiddels is er echter een nieuwe generatie Bourgogne-producenten opgestaan. Een lichting die veelal biologisch-dynamisch werkt, omdat dit resulteert in mooiere wijnen. En dat is de redding gebleken voor een regio die suf geoogst was en naar adem snakte. De Bourgogne is een tijdlang de killing fields genoemd vanwege de inzet van enorme hoeveelheden onkruid- en insectenverdelgers.

Bij steeds meer wijnmakers is er echter sprake meer van herbiciden, pesticiden en zwavel van Bayer, maar van compost, aardstralen en de stand der planeten van Rudolf Steiner. Een dergelijke company policy in de praktijk brengen, lijkt slechts voorbestemd aan kleine producenten. En dat gebeurt ook zeker in Bourgogne, maar het tegenovergestelde is ook het geval.

Al een aantal jaren geleden is het grootste bedrijf van de streek, J.C. Boisset, ‘om’. En deze zag niet alleen het milieu maar ook zijn wijnen opknappen. En op alle niveaus. Zowel zijn grand crus als zijn nederiger soorten gingen kwalitatief met sprongen vooruit.

In Nederland verkoopt Albert Heijn zijn witte en rode Bourgognes onder het merk Honoré Lavigne. En C1000 wordt beleverd met Thomas Bassot. Beide assortimenten bestaan uit witte en rode Bourgognes die hun geld stuk voor stuk dubbel en dwars waard zijn. Ik kan ze u aanbevelen.

Op de fles van uw keuze zoeken naar een biocertificering is overigens vergeefse moeite. Niet alle wijnen van Boisset zijn al ‘officieel’ bio. Bovendien ziet het bedrijf biologisch als een vanzelfsprekendheid en niet meer als een onderscheid dat vermarkt dient te worden.

Ook streekgenoot en multinational Drouhin is al een tijdje om. Toen president of the executive board Frédéric Drouhin afgelopen voorjaar in Amsterdam was, proefde ik met hem zijn hele biologische range. En sprak ik over het feit dat ook zijn bedrijf al tien jaar de wijnen mag voorzien van het door velen zo felbegeerde Ecocert-keurmerk maar dat niet doet. ‘Wij menen zo’n zegel als marketinginstrument niet nodig te hebben,’ verklaarde Drouhin toen. ‘Onze drinkers weten inmiddels waar wij voor staan.’

Zijn Joseph Drouhin Pinot Noir 2009 maakte hij daarom van druiven van onberispelijke komaf. Herbicide- en pesticidevrij. Maar niet vrij van smaak. Aangename zachte kersjes en bessen. Iets kruiderij. Schoon en zuiver. ‘Meer dan goede basis-Bourgogne’, lees ik terug in mijn proefnotities. Gall & Gall verkoopt ‘m voor rond een tientje.