Restjes ‘Nederlands’ in Polen

Taalkunde

In een Pools dorpje wonen nog sprekers van een soort Nederlands of Duits. De afstammelingen van ene Willem sterven uit.

Achthonderd van de zevenduizend talen die er zijn, worden alleen nog door oude mensen gesproken en zijn daarmee gedoemd om binnen tien, twintig jaar uit te sterven. In Amerika, Australië en Nieuw-Guinea verdwijnen zo tientallen talen.

Om te zien hoe een taal afsterft hoeven we helemaal niet zo ver van huis te gaan. Een van die stervende talen is namelijk een West-Germaanse taal, die direct verwant is aan het Nederlands en het Duits. Dit ‘Wymysojer’ was zeven eeuwen lang de omgangstaal in het Zuid-Poolse stadje Wilamowice. De sprekers ervan zeggen dat ze afstammen van kolonisten uit de Lage Landen. Als dat waar is, zou hun taal afstammen van het Middelnederlands.

Rinaldo Neels, een Vlaamse historicus en taalkundige, promoveerde deze maand op het proefschrift De nakende taaldood van het Wymysojer, een Germaans taaleiland in Zuid-Polen. Neels sprak met veertig van de zestig mensen die de taal nog machtig zijn. Op drie na waren die allemaal ouder dan tachtig jaar.

In zijn bloeitijd werd de taal door tweeduizend mensen gesproken. “Het stadje Wilamowice werd in de dertiende eeuw gesticht”, vertelt Neels. “In historische documenten wordt vermeld dat een zekere Willem dan met een groep mensen uit het Westen het recht krijgt van de toenmalige Poolse vorst om zich in dat gebied te vestigen.” Aan die Willem heeft het stadje zijn naam te danken: Wilamowice komt van Wymysoj: ‘Willems oog’.

“In de eerste helft van de dertiende eeuw was Zuid-Polen behoorlijk woest en desolaat. De Poolse vorsten zagen er een aantal voordelen in om daar kolonisten toe te laten, tegen gunstige voorwaarden, en zo die lege landen in cultuur te brengen. Want het heeft geen zin om als vorst te regeren over een woest landschap.”

Zodoende zijn er in Midden-Europa veel kolonisaties geweest – met name vanuit Duitstalig West-Europa. Maar ook Vlamingen en Hollanders waren van de partij. “Dat is een historisch gegeven”, zegt Neels. Tot in de achttiende, negentiende eeuw waren er in dit Slavisch-sprekende gebied veel (vooral Duitse) taaleilandjes.

Trots

Hoe komt het dat het Wymysojer het tot de eenentwintigste eeuw heeft volgehouden? “Wilamowice was relatief welvarend”, zegt Neels. “Met landbouw, een textielindustrie en handelaars. Door de handel was er veel contact met belangrijke handelssteden als Berlijn, Wenen en Triëst. De inwoners hadden ook vaak familie in die steden. Bijna allemaal spraken ze goed Pools, en sommigen spraken Duits. Het was een heel flexibele, pragmatisch ingestelde gemeenschap, waardoor ze rijker waren dan veel gemeenten eromheen. Dat zal zeker een bepaalde trots met zich meegebracht hebben.”

Wat ook meespeelde, was dat er tot de Eerste Wereldoorlog weinig gemengde huwelijken waren in Wilamowice. “Op de een of andere manier bestond er een traditie om met iemand uit het eigen stadje te te trouwen. Ook om zo het vermogen en de bezittingen binnen de gemeenschap te houden.”

Zelf zijn de Wilamowianen er dus sterk van overtuigd dat hun voorouders uit Holland of Vlaanderen kwamen. Is dat nog aan hun taal te zien? Daar is veel discussie over, zegt Neels. Het Wymysojer klinkt nu meer ‘Duits’ dan ‘Nederlands’. ‘Ho fergoso daj nomo’ lijkt bijvoorbeeld meer op ‘Ich habe deinen Namen vergessen’ dan op ‘Ik ben je naam vergeten’. Maar voor Duitstaligen is de taal te afwijkend om er een gewoon Duits dialect in te zien. Sommige zinnen zien er ook wel wat Nederlandser uit: ‘Ido cuntogt trynk ych a flos wajn’: iedere zondag drink ik een fles wijn.

Neels: “Het belangrijkste taalkundige argument dat pleit voor een Nederlandse herkomst is de Hoogduitse klankverschuiving. Die heeft zich in het Duits wel voltrokken, in het Nederlands niet, en het Wymysojer zit daartussenin.”

Door die klankverschuiving is in het Duits de ‘p’ van paard een ‘pf’ geworden (Pferd), en de ‘t’ van tijd een ‘ts’ (Zeit). ‘Dat’ werd in het Duits ‘das’, ‘ik’ werd ‘ich’, ‘appel’ werd ‘Apfel’, enzovoort.

Veel woorden in het Wymysojer hebben die klankverschuiving ook. Maar lang niet allemaal. Er zijn genoeg voorbeelden van alledaagse woorden die net als het Nederlands nog de oorspronkelijke Oudgermaanse medeklinkers hebben. Zoals ‘paoter’ dat ‘priester’ (‘pater’) betekent en niet met ‘pf’ begint zoals het Duitse ‘Pfarrer’. Appel is ‘apel’ en niet ‘Apfel’. Koper is ‘koper’ en niet ‘Kopfer’. En tijd is wél ‘tsait’, maar, zegt Neels: “Als men snel spreekt wordt dat toch weer ‘tait’.”

Klankverschuiving

Een mogelijke verklaring is dat het Wymysojer die klankverschuiving oorspronkelijk niet had, net zo min als het Middelnederlands, en dat al die Duits klinkende vormen er langzaam ingeslopen zijn door eeuwenlang intensief contact met het Duits. Dat zou op een Nederlandse herkomst kunnen wijzen. Helemaal zeker is dat niet, want de dialecten van Noord-Duitsland (het Nederduits) hebben ook niet meegedaan aan de Hoogduitse klankverschuiving. Het Wymysojer zou dus ook een Noord-Duitse oorsprong kunnen hebben.

En verder, zegt Neels, is het “in ieder geval opvallend” dat de infinitief van het werkwoord in Wymysojer op een ‘a’ eindigt: komen is ‘kuma’. In het Nederlands is het vrij normaal om de ‘n’ van ‘-en’ te laten vallen, in het Duits niet.

Het verhaal wil dat de Wilamowianen na de Tweede Wereldoorlog collectief besloten hun de taal niet meer te spreken. Neels: “Al rond 1900, als Zuid-Polen nog bij Oostenrijk hoort, begint er een soort germaniseringscampagne en probeert men hen te doen geloven dat zij eigenlijk Duitsers zijn. En daarna hebben de nazi’s in Wilamowice een agressieve cultuurcampagne gevoerd, waarin men probeert aan te tonen dat het Wymysojer een Duits dialect is. In de Tweede Wereldoorlog kregen ze de kans om zich te registreren als Volksduitsers. Dat was een groot dilemma. Uiteindelijk heeft tachtig procent dat gedaan. Twintig procent weigerde en werd vervolgens als dwangarbeider te werk gesteld. Die tachtig procent kreeg privileges, tot grote ergernis van de omringende gemeenschap natuurlijk.”

Na de oorlog moesten ze allemaal voor een commissie komen, die collaboratie onderzocht. “De Wilamowiaanse gemeenschap heeft toen besloten om het Wymysojer niet meer in het openbaar te spreken, en zo te laten zien dat zij loyaal waren aan Polen. Bovendien was er onder het Duitse regime een groep kinderen ontstaan die op school alleen Duits had geleerd en dus een flinke achterstand had in het Pools. De ouders, die wel goed Pools spraken, besloten daarom om ook tegen kinderen alleen nog maar Pools te spreken.”

Waaruit, volgens Neels, opnieuw blijkt hoe pragmatisch ze waren. Na 1956, als de repressie in Polen minder wordt, is het Wymysojer geen probleem meer. Maar de kinderen kennen de taal niet meer. En als de kinderen het niet meer spreken, is een taal verloren.

Zo werd de pragmatische drietaligheid van de negentiende eeuw (Wysysojer, Pools en Duits) uiteindelijk ingeruild voor het modern-Europese ideaal van de eentalige staat (alleen Pools).