Rare jongens, die Europeanen

Aflevering 47: over de Asterix-strips van Goscinny & Uderzo.

ANP XTRA LEX VAN LIESHOUT

Alle uitwassen van de sportbeoefening passeren de revue: dopinggebruik, corrupte officials, vals spel, geweld op de tribunes – en wie zei er ook alweer dat meedoen belangrijker is dan winnen? In de stripklassieker Astérix aux jeux Olympiques van Goscinny & Uderzo telt uitsluitend de erepalm, en die wordt niet alleen begeerd door Romeinse centurions die beseffen dat succes in de sport de beste carrièrezet is, maar ook door de bewoners van het Gallische dorpje dat sinds jaar en dag onoverwinnelijk is dankzij de toverdrank van de plaatselijke druïde. Beide partijen zijn bereid om door roeien en ruiten te gaan om bij de Olympische Spelen op het schavot te staan.

Astérix aux jeux Olympiques (1968) speelt met de archetypen van de klassieke oudheid en met moderne, nog steeds actuele nationale stereotypen; zo worden de oude Grieken neergezet als slimme ritselaars en de voorouders van de Italianen als liefhebbers van dolce far niente. Het is een beproefd recept. Toen dit twaalfde Asterix-album verscheen, hadden Goscinny & Uderzo al de spot gedreven met de Duitsers (of liever ‘de Gothen’), de Britten, de Egyptenaren en de Scandinaviërs (‘de Noormannen’); ze zouden het daarna doen met de rest van Europa, van de Spanjaarden en de Zwitsers tot de Corsicanen en de Belgen. Heel Europa? Nee, aan een paar landen kwam de in 1977 overleden scenarist René Goscinny niet toe: Rusland bijvoorbeeld, en helaas ook Nederland, al verklaarde tekenaar Albert Uderzo in 2000 tegen NRC Handelsblad: „Holland is in veel opzichten een geschikte bestemming. Allereerst omdat er van uw land zoveel typerende kenmerken in het collectieve geheugen liggen opgeslagen; over bollenvelden, windmolens en waterlinies is het goed grappen maken. Daarnaast was Holland in de Romeinse tijd een belangrijk gebied: de rijksgrens liep er dwars doorheen en het gebied ten zuiden van de Rijn was behoorlijk geromaniseerd. Je hoeft de historische werkelijkheid dus niet te veel geweld aan te doen.”

©

©

René Goscinny en Albert Uderzo waren de Lennon en McCartney van het komische stripverhaal. Uderzo maakte de tekeningen, en in de gouden jaren van Asterix (1959-1977) was het Goscinny die de scenario’s schreef. Ieder nieuw album vertelt een origineel verhaal met een sterke plot en een logisch verloop. Het geeft niet dat de avonturen zich volgens een vast patroon ontrollen. In de ware Asterix verzint Julius Caesar een nieuwe strategie om het Gallische dorpje te onderwerpen (De Romeinse lusthof, De ziener, De intrigant), of maken Asterix en Obelix een reis naar een ver land met eigenaardige gebruiken (Cleopatra, Het 1ste legioen). De aantrekkingskracht van de humor blijkt universeel; Asterix is vertaald in honderd talen en dialecten, van Afrikaans tot Zwitser-Duits, en over de hele wereld kun je met gelijkgestemden lachen om de running gags die de strip tot een van de populairste ter wereld hebben gemaakt. De onoverwinnelijke Galliër wordt geëerd als een van de grote cultuurhelden van Frankrijk en als de figuur die in de jaren zestig het stripverhaal voor volwassenen en intellectuelen salonfähig maakte.

©

©

Zoals de meeste komische strips dankt de Asterix-serie een groot deel van haar succes aan het effect van terugkerende formules. Zinsneden als ‘teken toch bij, zeiden ze’, ‘dik? wie is hier dik?’ en ‘rare jongens, die Romeinen’ zijn spreekwoordelijk geworden; vaste plotwendingen als de vernedering van Caesars legioenen of het tot zwijgen brengen van de dissonante bard Assurancetorix roepen op z’n minst een glimlach van herkenning op. Er worden grappen gemaakt over de bovenmenselijke kracht en eetlust van Obelix; de dorpssmid Hoefnix ruziet met de vishandelaar Kostunrix, het piratenschip van de uit een andere strip afkomstige Roodbaard wordt tot zinken gebracht, en de toverdrank van Panoramix maakt het leven van de Romeinen uit de omringende legerplaatsen bepaald niet gemakkelijk…

Even beproefd is het laten figureren van bekende Europeanen en culturele iconen. Tientallen filmsterren, politici, sportlieden en literaire helden werden in de avonturen van Asterix gekarikaturiseerd. Sommigen maakten een cameo appearance: Laurel en Hardy stuntelden als legionairs in Obelix en Co, Eddy Merckx was een pijlsnelle koerier in De Belgen, Don Quichot vecht tegen windmolens in Hispania. Anderen kregen een substantiële rol, zoals de James Bondvertolker Sean Connery, die als de dubbelagent Nulnulnix de onoverwinnelijke Galliërs achtervolgt in De odyssee van Asterix. Wie met een scherp oog kijkt, ziet bovendien parodieën op – en verwijzingen naar – de Beatles (De Britten), Rembrandt (De Ziener), de Laocoöngroep, de Discuswerper en de Denker (De lauwerkrans van Caesar), Pieter Bruegel, Kuifje, Manneken Pis en Victor Hugo (De Belgen).

De aantrekkingskracht van Asterix en de andere onoverwinnelijke Galliërs berust op hun non-conformisme en hun streven naar onafhankelijkheid. Dat maakt de strip extra actueel in het verenigde Europa van vandaag. Zoals Uderzo al in 2000 voorspelde: „Hoe meer de centrale organisatie voortschrijdt, hoe meer de gewone burger zich verschanst in zijn eigen nationale of regionale cultuur. Dat hebben we de afgelopen tien, twintig jaar al in Frankrijk zien gebeuren. Aan Asterix is dat allemaal niet te danken, het is de verdienste van enthousiaste linguïsten en volkskundigen. Maar ik ben ervan overtuigd dat de onafhankelijke instelling van Asterix, zijn merde à tout le monde iedere cultuur in verdrukking aanspreekt. Niet alleen in Frankrijk. Of we nu Duitser, Italiaan of Hollander zijn, we willen toch niets liever dan met rust gelaten worden?”