Onze moerstaal

In een radioprogramma werd Rutger Kopland herdacht. De ondervraagde deskundige vertelde allerlei belangwekkende bijzonderheden en toen, terloops, zei hij dat de dichter een geweldige hekel aan het woord impact had. Dit werkte even op de lachspieren van de mevrouw die hem ondervroeg en daarna ging het gesprek in gepaste ernst verder. Ik voelde een nog grotere sympathie voor de dichter dan ik al had.

Impact. Voor mij is het een van die woorden waarmee sommige mensen terloops, of zelfs automatisch hun gewichtigheid bewijzen. Of als ze jonger zijn, denken ze misschien dat het gewoon, goed Nederlands is. Nee, het is een Engels woord. Mijn Van Dale Engels-Nederlands (tweede druk, 1989) geeft de volgende vertalingen: schok, botsing, inslag, stoot, invloed. Als je nu iemand hoort zeggen dat iets een gewèldige impèkt heeft, bedoelt hij daarmee waarschijnlijk grote invloed. Het zal niet gaan over een autobotsing. Dan zeg je: de auto’s knalden tegen elkaar.

Wanneer is de opmars van het Engels in onze moedertaal begonnen? Volgens Rudy Kousbroek toen onze voorvaderen tegen het einde van de zeventiende eeuw Nieuw Amsterdam aan de Engelsen verkochten. Nu heet die stad New York. Als ze destijds wat verstandiger en minder geldzuchtig waren geweest, zou het Nederlands nu de wereldtaal zijn. Er zijn nog wel wat restanten. In het Russisch heb je bijvoorbeeld het woord broekje, en nog meer dat ons bekend voorkomt. Dat hebben we uiteindelijk aan Tsaar Peter te danken, de vooruitstrevende vorst die zich in Zaandam in de scheepsbouw ging bekwamen. Dat was in 1698. Zo ver gezocht is de theorie van Kousbroek niet. Hadden we het toen wat imperialistischer aangepakt, dan hadden ook de Russen nu Nederlands gesproken. En nu we het toch over de resten van onze glorietijd hebben: in Jakarta wordt een uitlaat knalpot genoemd.

Nu beleven we de onweerstaanbare opmars van het Engels. Ook al lang geleden begonnen, waarschijnlijk in de jaren twintig (v.d.v.e.) toen in Hollywood de filmindustrie groeide. In andere landen werden ook mooie films gemaakt, maar de Amerikanen hadden de overhand. Wanneer heeft okee zich in het Nederlands gevestigd? Waarschijnlijk al jaren voor de oorlog. In mijn dikke Van Dale (1999) wordt het nog okay gespeld. Het is een afkorting van all correct, en verdomd, dan wordt ook nog een zekere Hofland geciteerd. ‘OK dient ook ter afsluiting van een gesprek: dit okee gaat aan het tot ziens vooraf.’

De oorlog brak uit, de NSB bond de strijd aan met de Engelse invloed, probeerde het Nederlands te ‘verdietsen’ maar in plaats daarvan werd het Duits onherstelbaar gecompromitteerd. Als je wilde weten wat er werkelijk was gebeurd, luisterde je naar Radio Oranje, de geweldige stem van A. den Doolaard, of liever nog naar de BBC Home Service. Het Engels was al de wereldtaal, maar in de oorlog heeft het zich definitief zijn prestige verworven. En toen kwam de Bevrijding en daarmee voor mijn generatie de echte muziek, van The American Forces Network, AFN, Munich, Stuttgart. Met het Amerikaanse accent kreeg het Engels ook zijn onweerstaanbare attractie. In de zomer van 1945 liftte ik naar Parijs, kwam in een Amerikaans gezelschap terecht en wilde ook Amerikaan worden.

(Wat is liften, zult u misschien vragen. Dat is: langs de snelweg gaan staan en in horizontale richting je duim opsteken. Binnen niet al te lange tijd stopte er een auto, je mocht mee tot waar de chauffeur moest zijn. Als eigentijdse chauffeur zul je wel wijzer zijn. Binnen een paar kilometer heb je een mes tussen je ribben, of je moet onder bedreiging van een vuurwapen je geld afgeven en je auto ontruimen. Liften is zóóóó twintigste-eeuws, zeggen we tegenwoordig.)

Ik geloof dat we de voortgezette opmars van het Engels daarna vooral aan de reclamewereld te danken hebben. Jaren geleden heb ik eens een lijstje gemaakt van Engelse woorden die in het Nederlandse spraakgebruik waren opgenomen. Ik dacht toen dat het consequent zou zijn als we de spelling zouden vernederlandsen. Hier volgt een selectie.

Aitum – onderwerp. Bektoeskoel – terug naar school. Benker – bankier. Bekpekker – rugzakdrager. Biznis – zaak. Breens – hersenen, brein.

Diezein – ontwerp. Feek – namaak. Fektsjiet – documentatiemap. Fèsjun – mode. Fukof – lazer op. Grip – greep, vat. Heppiekristmus – gelukkig Kerstmis. Impekt – effect, invloed. Isjoe – kwestie. Kees – geval, zaak.

Kèsj – baar geld. Kesjen – incasseren. Kresj – botsing, ongeluk. Kuvver – omslag. Oldebest – het beste. Onderood – onderweg. Praivut – strikt persoonlijk. Roets – wortels. Saitkik – prominente bijhanger. Seel – uitverkoop. Siejoe – tot ziens. Sjoppen – winkelen. Taaskfors – werkgroep. Uhwòrd – prijs. Woddèvvur – hoe dan ook. Wurksjop – atelier.

Ik heb er nog meer maar zo is het wel genoeg. We komen aan de volgende fase: de digitale revolutie. Begonnen in Amerika, wereldwijd verspreid en nog altijd in volle ontwikkeling. Daar valt niet tegenop te boksen. De nieuwe generaties groeien op in een linguïstische omgeving die zo volstrekt anders is dan die van ons, van het aap-noot-mies, dat we ons er geen voorstelling van kunnen maken. Graag zou ik over twintig jaar een paar jonge landgenoten in mijn moedertaal horen praten. Ik denk dat ik er niets, geen laars, geen lor, geen moer van zou verstaan.