Met jouw genen? Ga zwemmen

Doping zal er altijd zijn, denkt hoogleraar gentherapie Hidde Haisma. Maar zelf verwacht hij meer van een betere selectie van sporters op grond van hun genetische kenmerken.

De deelnemers in 2048 zullen langer zijn, gespierder, lichter, soepeler, sterker en sneller zijn dan die op de komende Londense spelen.

Dat verwacht hoogleraar gentherapie Hidde Haisma van de Rijksuniversiteit Groningen.

En nee, dat komt niet door gentherapie – het gericht introduceren van prestatiebevorderende genen – en ook niet door doping. Het komt door betere selectie van sporters, denkt Haisma. En die betere selectie kan in de toekomst heel goed met behulp van genetische informatie.

Je zou denken dat iemand die dagelijks bezig is met het inbrengen van genetisch materiaal in (menselijke) cellen en die bovendien lid is van het comité genetische doping van de WADA, de gevreesde werelddopingbestrijder, meer heil zou verwachten van doping en gentherapie voor het verbeteren van sportprestaties.

Maar nee.

Selectie zal in 2048 belangrijker zijn dan genetische doping, denkt Haisma, en dat is niet omdat de dopingopspoorders dan gendoping succesvol kunnen opsporen. „Bepaalde vormen van doping zullen we nooit goed kunnen opsporen. Daar ben ik van overtuigd.” Vooral genetische doping is amper op te sporen, zegt Haisma op zijn werkkamer in Groningen. Maar het levert domweg veel minder op dan betere selectie, zegt hij.

De selectie van sporters kan veel beter dan nu gebeurt. Om te beginnen moeten de westerse landen van hun sportbonden af, vindt Haisma. Die blijven te veel in hun eigen sport hangen en kijken te weinig naar andere sporten, zegt hij. „Nu gaat een kind bijvoorbeeld op zwemmen. De zwemtrainer kijkt hoe goed zo’n kind is. Maar een zwemtrainer heeft weinig verstand van gewichtheffen of hardlopen en zal dus niet snel zeggen ‘ga jij maar hardlopen’.”

In oosterse landen zijn ze meer op prestaties gericht. Daar worden kinderen nu al vrij vroeg gescreend of ze geschikt zijn voor een bepaalde sport. Als alle westerse landen dat ook gaan doen, is dat een forse verandering.”

De deelnemers aan de Olympische Spelen zijn vaak twintigers. Die van 2048 worden dus over 5 tot 15 jaar geboren. Over 5 jaar is het waarschijnlijk al heel gewoon om van iedere pasgeborene het hele genoom te bepalen; van ieder kind is dan de DNA-volgorde bekend. Misschien eerst alleen nog van het deel (eentiende van al het DNA) dat uit genen bestaat. Haisma: „Ja, de hielprik die nu bij alle pasgeborenen wordt gedaan om te bepalen of ze aan zeldzame erfelijke ziekten lijden, kan net zo goed een genoombepaling worden. In Nederland zullen we er waarschijnlijk heel restrictief mee omgaan. Dat is hier traditie. Maar in andere landen zal men niet alleen naar behandelbare ziektes kijken; ook naar ziektes die mogelijk op termijn ontstaan en naar mogelijke sportprestaties.”

Van 250 genen – ruim eentiende van alle genen waar de mens over beschikt – is inmiddels bekend dat ze invloed hebben op sportprestaties. Het gaat om kleine variaties in de DNA-volgorde van zo’n gen. Het gaat om varianten die bij topsporters vaker aanwezig zijn dan bij niet-sporters. Hoé die genvarianten invloed hebben is vaak nog onbekend.

„We staan regelmatig voor verrassingen”, zegt Haisma. „Het is al een paar jaar bekend dat marathonlopers vaak een bepaalde variant van het ACE-gen hebben. ACE is een enzym dat bij de bloeddrukregulering is betrokken. Er zijn bloeddrukverlagende medicijnen – ACE-remmers – die het ACE-eiwit beïnvloeden. Het was een raadsel hoe dat gen het loopvermogen beïnvloedt, maar uiteindelijk is gevonden dat een genvariant die bij veel langeafstandslopers voorkomt het uithoudingsvermogen verbetert.” De variant is gevonden bij Japanse en bij Israëlische lopers. Maar de beroemde hardlopers uit Kenia en Ethiopië blijken de genvariant niet nodig te hebben om hun marathons te winnen. Ze hebben hem niet, bleek uit onderzoek.

Haisma: „Het bepalen van die genvarianten kan nu al. Het zal zich de komende jaren uitbreiden totdat we echt van ieder kind de hele erfelijke code weten. Mijn filosofie is dat alles wat kan, de komende jaren ook gaat gebeuren. Dat steeds vaker al bij kinderen wordt gekeken voor welke sport ze potentieel geschikt zijn.”

Over het belang van de genetische aanleg voor de sport is Haisma helder: „Natuurlijk, de omgeving speelt een grote rol. Maar ik denk dat de rol van genen in de sport groter is dan de meeste mensen denken. Ik schat de invloed van de genetische aanleg op 75 procent. En ja, als we uit meer mensen kunnen selecteren zullen we meer extremen gaan zien.”

Maar waarom zal gerichte gentherapie – bij sporters zou het gendoping heten – de komende 40 jaar niet betere sporters opleveren dan selectie?

„Met gentherapie of met genetische doping kunnen we misschien één of twee genen manipuleren”, zegt Haisma. „Maar tussen die miljarden mensen op de wereld leven mannen en vrouwen met zeldzame combinaties van de nuttige genvarianten die voor een bepaalde sport erg gunstig zijn. Als je goed zoekt, vind je mensen met een mix van tien of honderd genvarianten die bij elkaar toevallig de perfecte combinatie vormen. Genonderzoekers kennen nu 250 genvarianten die een rol spelen, maar we weten nog niks over het effect van de combinaties.”

Uiteindelijk loop je natuurlijk tegen de grenzen op van wat een mens überhaupt nog kan, zegt Haisma. „Ik verwacht bijvoorbeeld niet dat de 100 meter sprint ooit nog één hele seconde sneller kan. Er zal misschien nog iets verbeteren door kleding en schoeisel. Daar verwacht ik bij dat onderdeel van de atletiek zelfs meer effect van dan van gendoping en selectie. Kijk naar de klapschaats, die heeft gigantische effecten gehad.”

Doping zal altijd blijven bestaan, denkt Haisma. „Het verschil tussen een gouden en een zilveren medaille is qua prestatie vaak minimaal, maar het gevolg is gigantisch. De verleiding om dat laatste beetje prestatieverbetering met doping te bewerkstelligen blijft dus heel groot.”

Sommige vormen van gentherapie kunnen de dopinglabs in 2048 zeker opsporen. Op de laatste WADA-vergadering over genetische doping, afgelopen februari, heeft Haisma de eerste experimentele tests besproken die dat in principe kunnen. Maar veel genetische doping zal waarschijnlijk altijd onvindbaar zijn. Gezondheidstests zijn een alternatief, maar doping kan ook onaantrekkelijk worden gemaakt door sporters in te delen in categorieën met bepaalde lichaamskenmerken. Zoals er nu mannen- en vrouwensport is, waarbij in de atletiek sinds kort het verschil tussen mannen en vrouwen wordt bepaald door iemands testosterongehalte. De sekstest op chromosomen en uiterlijke kenmerken is er afgeschaft.

Gewichtheffers, boksers en judoka’s zijn bijvoorbeeld al ingedeeld in gewichtsklassen. „Je kunt meer bedenken”, denkt Haisma. „Bijvoorbeeld handicaps instellen, zoals bij golf. Je kunt ook gezondheidscontroles invoeren. Dat gebeurt nu al met het gehalte aan rode bloedcellen – de hematocrietwaarde – die niet te hoog mag worden. De hematocriet stijgt door epo-doping, maar er zijn ook families met een erfelijk verhoogde hematocrietwaarde. De vraag is of je die mensen moet uitsluiten, want met een betere selectie zul je steeds meer sporters krijgen die goed kunnen presteren.”

WADA spoort doping op om de spirit of sports te kunnen handhaven. „Dat is natuurlijk een vrij vage term”, zegt Haisma. „Waar het op neerkomt is dat de wedstrijd een beetje eerlijk is, terwijl je als toeschouwer toch niet wil dat iedere deelnemer hetzelfde is. Ik zag vorige maand op het journaal hoe Nederland wereldkampioen robotvoetbal werd. Dat willen we dus niet. Je wilt mensen zien die de strijd aangaan.”

Maar zijn er in 2048 nog dopingcontroles?

Haisma denkt van wel. „Het denken erover verandert maar heel langzaam. Ik geloof niet dat de WADA in 2048 die stap al heeft kunnen zetten.”