Het cultureel correcte paternalisme van de antibesnijdenislobby

Het morele absolutisme van gelovigen valt in het niet bij het dogmatisme van de tegenstanders van besnijdenis van jongens. Die denken zelf godsdienstige gebruiken voor te kunnen schrijven, vindt Frank Furedi.

De internationale campagne om de godsdienstige praktijk van de besnijdenis van jongetjes te demoniseren, wordt gevoed door een nieuwe vorm van misantropisch fanatisme. Dit vertegenwoordigt een synthese van eenentwintigste-eeuwse culturele correctheid en ouderwetse vooringenomenheid. In deze morele kruistocht komen veel van de kwalijkste tendensen van onze tijd samen: het paranoïde dogma over het ‘kwetsbare kind’, de cultureel gesanctioneerde minachting voor de uitoefening van ouderlijk gezag, onverdraagzaamheid jegens godsdienstvrijheid, ongevoeligheid voor traditionele overtuigingen van mensen en ouderwetse vooroordelen tegen besneden mensen.

De uitspraak van een Keulse rechtbank dat de religieuze besnijdenis van jongetjes dient te worden verboden, is onderdeel van een bredere internationale campagne. Besnijdenis is bijvoorbeeld al enige tijd een groot thema in Noorwegen; daar zei vorige maand de Centrumpartij ernaar te zullen streven de praktijk te verbieden. Vorig jaar was er een controverse in San Francisco, waar actievoerders ook probeerden besnijdenis verboden te krijgen.

Een van de griezeligste kanten aan de poging besnijdenis strafbaar te stellen, is de hooghartige en paternalistische ondertoon. Neem Holm Putzke, hoogleraar strafrecht aan de universiteit van het Zuid-Duitse Passau, wiens argumenten door de Keulse rechtbank werden gebruikt om de uitspraak te rechtvaardigen. Putzke zegt dat hij niet weet waar al die ophef vandaan komt, want „niemand wil de religieuze besnijdenis in de islam en het jodendom verbieden, absoluut niet” – nee, alles wat hij en de rechtbank zeggen, is dat over besnijdenis „alleen dient te worden besloten door hen die het ondergaan”. In aanmerking genomen dat volgens het joodse gebruik een jongen op de achtste dag na de geboorte moet worden besneden, zegt Putzke eigenlijk: zolang jullie joden je wet veranderen en het tijdstip overnemen waarop ik vind dat mannen kunnen worden besneden, mogen jullie je „godsdienstige” gebruiken behouden.

Dat de joodse wet vereist dat de besnijdenis op de achtste dag na de geboorte wordt voltrokken en dat deze ceremonie voor het joodse geloof en het joodse volk een beslissend moment betekent, is voor deze erudiete professor gewoon een administratief ongemak.

De opvatting van Putzke wordt gedeeld door tal van commentatoren, die beweren beter te weten wat het betekent om jood te zijn dan aanhangers van de joodse godsdienst. Deze campagnevoerders nemen de rol aan van morele scheidsrechters van het jodendom, alsof ze, waarlijk verlicht, joodse kinderen moeten redden van hun barbaarse ouders. Wie van joden een uitstel van de besnijdenis tot in de verre toekomst verlangt, vergeet dat er voor hen die deze godsdienst daadwerkelijk belijden niet valt te onderhandelen over het tijdstip van de besnijdenis. Wie wil beweren dat iemand ook een onbesneden jood kan zijn, kan niet zo goed zeggen dat iemand niet gedoopt hoeft te worden om een echte katholiek te zijn.

Uiteraard heeft Putzke het democratische recht om besnijdenis te veroordelen, maar het is onaanvaardbaar dat Putzke of iemand anders de wettelijke macht van de staat gebruikt om een gevestigde godsdienst voor te schrijven welke gebruiken mogen worden geëerbiedigd. Een godsdienstige wet is niet zoiets als een verkeersregel, die zomaar kan worden gewijzigd of aangepast. Besnijdenis is voor lifestylefanaten misschien een keuze, maar voor joden is het een integraal onderdeel van hun identiteit. De Hebreeuwse Bijbel is hierover ondubbelzinnig. God dreigde Mozes echt te doden als zijn zoon bij zijn niet-joodse vrouw Zippora niet zou worden besneden. Dit mag dan zomaar een >bijbelverhaal zijn, maar voor joden houdt het in dat de besnijdenis een existentiële kwestie is. Daarom hebben de joden door de geschiedenis heen geworsteld en op leven en dood gestreden voor het recht zich te laten besnijden.

De joodse opstand van de Hasmoneeën, in de tweede eeuw voor Christus, was een reactie op de pogingen van hun Griekse machthebbers om hen van hun ‘barbaarse’ gewoonten af te brengen en een beschaafdere leefwijze te laten aannemen. Een van de katalysators voor de opstand was een decreet van de Seleucidische keizer Antiochus IV, die de joden opdroeg hun zonen onbesneden te laten of de dood tegemoet te zien. Dit decreet, gericht op het ‘barbaarse’ gedrag van ‘onontwikkelde’ mensen, maakte deel uit van een uitvoerige campagne om de joodse levenswijze te vernietigen. Het is niet verwonderlijk dat de opstand hiertegen, onder leiding van Judas de Makkabeeër, wordt beschouwd als een van de beslissende momenten van het jodendom . Daarom ziet elke jood met historisch besef de tegenwoordige kruistocht tegen besnijdenis als een minder gewelddadige versie van het Helleense project om de joden ‘beschaafder’ te maken.

De kruisvaarders tegen besnijdenis maken vaak smalende opmerkingen over het morele absolutisme van gelovigen. Ze doen vaak alsof alleen zielepoten die op oude dogma’s en het gezag van een god vertrouwen de verlichte en wetenschappelijke kruistocht tegen de verschrikkelijke praktijk van de besnijdenis zouden kunnen afwijzen. Ongetwijfeld vertrouwen veel gelovigen inderdaad op hun heilige teksten om de wereld zin te geven, maar hun morele absolutisme valt in het niet bij het absolutistische dogma van de fanatieke tegenstanders van besnijdenis.

In onze relativistische tijd zijn er in de westerse samenleving maar weinig praktijken die een universele morele veroordeling uitlokken. Meningsverschillen over abortus, de aard van het gezin en het recht op zelfmoord tonen dat er zelfs over een aantal van de meest fundamentele vragen aangaande de zin van het leven maar weinig overeenstemming is. Nog maar twee praktijken roepen dezer dagen echt diepgewortelde afkeer op: pedofilie en genitale verminking van vrouwen. Zoals wel was te voorspellen, worden deze beide thema’s uitgevent door de morele kooplui die de mannelijke besnijdenis graag pathologiseren.

Via een proces van schuld door retorische associatie wordt de besnijdenis van joodse en islamitische jongens neergezet als het mannelijke equivalent van vrouwelijke genitale verminking.

Hieruit spreekt moedwillige onwetendheid van de menselijke anatomie. Er zijn diverse vormen van vrouwenbesnijdenis, maar ze behelzen allemaal de ‘verwijdering van enkele of alle uitwendige vrouwelijke geslachtsdelen’. De operatie heeft vaak ernstige bijwerkingen, zoals infecties, pijn, bloedingen en onvruchtbaarheid. Dat ook miljoenen jongens om niet-godsdienstige redenen zijn besneden, al bij hun geboorte of later in hun leven na een gezondheidsprobleem, toont dat dit geen vorm van verminking is.

De onverdraagzame actievoerders stigmatiseren besnijdenis ook in het wilde weg als een vorm van kindermishandeling. Sommigen gebruiken zelfs de term ‘geritualiseerde kindermishandeling’ om deze gewoonte te omschrijven. Het gebruik van de term ‘kindermisbruik’ verwijst naar duistere praktijken die moreel gelijkstaan aan pedofilie.

Ook ouders die hun kinderen ‘dwingen’ naar de kerk te gaan of de godsdienst van het gezin te omarmen, zijn door antigeloofsactivisten beschuldigd van mishandeling. Vroeger heette dit dat zij een kind ‘onder druk zetten’. Nu wordt dit veroordeeld als emotioneel misbruik. Ouders die ‘toelaten’ dat hun te zware kinderen te veel eten, worden beschuldigd van kindermisbruik. In zulke omstandigheden is het niet verrassend dat de besnijdenis van jongens zo moeiteloos kan worden geïntegreerd in de steeds ruimere betekenis van kindermisbruik. De tegenwoordige paternalistische geestdrijvers zien alleen een dogma als er een godsdienstig symbool op is geplakt – ze zien het nooit in hun eigen onverdraagzame campagne.

Critici van de besnijdenis meten zich niet alleen de bevoegdheid aan om de wetten van het jodendom en andere godsdiensten opnieuw uit te leggen, ze menen ook te weten wat het beste is voor joodse en islamitische kinderen. Het argument dat critici het meest gebruiken, is dat ouders niet het recht hebben hun kind te besnijden, tenzij het zijn toestemming heeft gegeven. Om dit beginsel kracht bij te zetten, beweren ze op te komen voor de rechten van het kind en kinderen te beschermen tegen hun ouders.

In werkelijkheid is dit een poging de rechten van ouders te ontkrachten door hun gedrag te onderwerpen aan het toestemmingsvereiste van een kind, iets wat moeders en vaders reduceert tot het niveau van ‘verzorgers’ – maar ouders moeten nu eenmaal tal van handelingen kunnen verrichten waarmee een kind niet instemt. Net als besnijdenis heeft bijna elke grote beslissing die ouders nemen gevolgen op lange termijn. De meesten van ons hebben nooit ingestemd met onze etnische achtergrond of culturele erfgoed. Kinderen leven op plaatsen en in omstandigheden die ze niet zelf hebben gekozen. Juist omdat ouderlijke beslissingen zo belangrijk zijn, hebben moeders en vaders de vrijheid nodig om deze zo te nemen dat ze stroken met hun leefwijze.

Als ouders geen beslissingen meer mogen nemen tenzij een kind eerst zijn toestemming heeft gegeven, wordt het hele bestaan van een privé- en gezinsleven twijfelachtig. En wie bepaalt of een kind wel zijn toestemming kan overzien? Dit zal veel eerder een bemoeizieke hoogleraar strafrecht zijn dan de eigen moeder of vader van een kind.

Antisemitisme of islamofobie is niet de drijvende kracht achter de hedendaagse criminalisering van de besnijdenis. Wel heeft deze campagne een natuurlijke aantrekkingkracht op mensen en groeperingen met een hekel aan joden en moslims. Zij proberen zich er meester van te maken. Toch is – afgezien van de verderfelijke propaganda – de echte bedreiging van de vrijheid niet het expliciete antisemitisme, maar de verraderlijke campagne voor culturele correctheid. Het verraderlijke aan de antibesnijdeniscampagne is, behalve de onverdraagzaamheid tegenover andermans godsdienstvrijheid, vooral ook de hooghartige veronderstelling dat de actievoerders het recht hebben anderen te vertellen hoe zij hun leven moeten leiden.

Als ik gelovig was, zou ik vragen: ‘Wie heeft hen tot God gemaakt?’

Frank Furedi is socioloog. Hij publiceerde vorig jaar On Tolerance: A Defence of Moral Independence. ©spiked-online.com