Geluk is wandelen op het strand – of niet?

Wetenschap in bedrijf

Psycholoog Ap Dijksterhuis onderzoekt het geluk. Hoe? Door te kijken hoe mensen lopen bijvoorbeeld.

Hoe meet je als wetenschapper hoe gelukkig iemand is? Weten mensen dat zelf wel? Weten mensen waar ze gelukkig van worden? Gedragen ze zich daarnaar? Is ‘in het nu leven’ echt zo goed – en hoe zit het dan met voorpret, met nagenieten?

Dat zijn de vragen waar de Nijmeegse sociaal psycholoog Ap Dijksterhuis zich de komende jaren over wil buigen. Ruim acht jaar lang onderzocht hij wanneer het beter is om goed na te denken en wanneer je beter je onbewuste aan het werk kunt zetten bij het nemen van beslissingen. Daarvóór deed hij meer dan zes jaar onderzoek aan priming (onbewust aansturen) van gedrag. Nu heeft hij zich acht maanden ingelezen in onderzoek naar geluk en is hij, samen met zijn studenten en promovendi, bezig met vooronderzoeken, pilot studies. En als ze daarover praten, klinkt dat bijvoorbeeld zo.

Kris Derks, vierdejaars student psychologie, eerstejaars research master: “We hebben alle data van de eerste ronde, maar nog niet alle correlaties. Woensdag gaan we weer de hele dag spss’en.”

Medestudent Renate Gloudemans, scrolt door gegevens op haar laptop: “Self-centeredness deed niks en er is iets misgegaan met de SES...”

Kris Derks: “Maar we hebben wel al alle loopjes gecodeerd.”

Zo praten sociaal-psychologen dus. Spss’en, dat is statistische analyses uitvoeren op onderzoeksgegevens met een computerprogramma dat statistical package for the social sciences heet. Daarmee kun je kijken of je metingen de verwachte betekenisvolle patronen vertonen. Dat ‘self-centeredness niks deed’ betekent dat de gebruikte vragenlijst om vast te stellen hoe narcistisch en op zichzelf gericht iemand is, geen betekenisvol verband hield met andere belangrijke metingen in het onderzoek. De SES, die kennelijk niet goed doorgekomen is, is een maat voor de sociaal-economische status (inkomen, opleidingsniveau) van de proefpersonen. En die loopjes, waarover straks meer, die zijn tegelijkertijd het leukste en het vervelendste van dit onderzoek.

“We proberen een onbewuste maat te ontwikkelen die meet hoe gelukkig iemand is”, legt Dijksterhuis uit. “Alle bestaande maten voor geluk zijn vragenlijsten, maar het probleem is dat mensen niet goed inzicht hebben in hun eigen psyche. Bovendien kunnen ze makkelijk zeggen dat ze veel gelukkiger zijn dan ze daadwerkelijk zijn.” Zo’n nieuwe maat zal wel enig verband houden met die bestaande maten voor geluk, maar dat verband zal niet perfect zijn. De psychologen onderzoeken bijvoorbeeld verschillende computertaakjes gebaseerd op het idee dat gelukkige mensen sneller reageren op woorden die met zichzelf te maken hebben, nadat er net woorden die met geluk te maken hebben in beeld zijn geweest.

“En we hebben dus dat gekke loopje”, zegt Dijksterhuis. Zijn studenten en hij bedachten dat aan de manier waarop iemand loopt – hoe rechtop, hoe kwiek – wellicht te zien valt hoe gelukkig diegene is. Dus hing er, zonder dat de proefpersonen het wisten, een camera in de gang van het psychologielab. “Een heel gedoe”, vertelt Derks. “We moesten elkaar steeds whatsappen [een soort sms, red.] als er iemand aankwam; dan kon de ander de camera aanzetten. Weet je wel wat whatsappen is?”, vraagt ze plagerig aan Dijksterhuis. Die kaatst terug: “Hoeveel proefpersonen had je ook weer, 95? Dus dat heb je maar 95 keer hoeven doen.”

Ingelijste oorkonde

Het is dinsdagochtend, tien uur. We zitten in Dijksterhuis’ werkkamer in de Radboud Universiteit in Nijmegen. Bij het raam staat een tafel met een computer erop, in het midden een vergadertafel, tegen de muur een stel eenvoudige houten boekenkasten. Er hangen ingelijste oorkondes en vakantiefoto’s uit exotische oorden aan de muur en er staat een dode palm in een hoek. In de vensterbank komt aan de buitenkant af en toe een kauwtje zitten. Dijksterhuis – lichtblauw overhemd, spijkerbroek, slangenleren laarzen – heeft een dag vol afspraken. Dat is wel handig voor de journalist die mee komt kijken, want wat Dijksterhuis zelf nog aan onderzoek doet, komt vooral neer op het lezen en schrijven van wetenschappelijke artikelen. Zijn studenten, student-assistenten en promovendi nemen, in overleg met hem, vrijwel de hele praktische uitvoering voor hun rekening, inclusief al het programmeerwerk en de statistische analyses.

En aan een lezende of schrijvende persoon valt voor een verslaggever weinig te zien, grapt Dijksterhuis: “De vorige alinea was vlot gegaan, maar bij deze zit hij lang te twijfelen...” Als hij de kans heeft om ergens een grap over te maken, grijpt hij die. Over zijn woeste haar en hoe weinig hij naar de kapper gaat. Over de journalist in zijn kamer – elke keer dat hij me voorstelt, eindigt hij grijnzend met: “Dus alles wat jullie zeggen, kan tegen mij gebruikt worden.”

Maar over zijn werk is hij erg serieus. Heel precies in formuleringen. En vooral ook: zich zeer bewust van het feit dat hij zijn door fraude-affaires geplaagde vakgebied vertegenwoordigt in de krant. “Wat een leuk idee!”, mailde hij binnen 35 minuten terug op de vraag of een verslaggever een paar dagen met hem kan meelopen. En: “Ik hoop dat het helpt om mensen te laten lezen hoe wij echt ons werk doen. Daar zijn volgens mij enorme misverstanden over.” Het is dan na Stapel, voor Smeesters, en het imago van de sociale psychologie heeft nogal een deuk opgelopen.

Voor de bespreking met Derks en Gloudemans heeft Dijksterhuis verteld hoe zijn werkweek eruitziet. Afspraken plant hij altijd op maandag en dinsdag; op dinsdagmiddag komt ook de hele ‘labgroep’ bij elkaar. Woensdag zit hij thuis te schrijven en te lezen. Donderdag is een dag “met veel bestuur” – Dijksterhuis zit in het bestuur van MaGW (de afdeling maatschappij- en gedragswetenschappen van onderzoeksfinancier NWO), in de adviesraad van het BSI, een gedragswetenschappelijk onderzoeksinstituut dat onderwijs voor promovendi organiseert, en samen met collega-hoogleraar Daniël Wigboldus leidt hij “de negende verdieping”, de afdeling sociale en cultuurpsychologie.

Vrijdag is weer een schrijfdag en niet alleen wetenschappelijk. Dijksterhuis werkt nog maar vier dagen per week voor de universiteit en is ook met een roman bezig. Op vrijdag doet hij meestal ook zijn werk voor het wetenschappelijke tijdschrift Science. Sinds 2010 is hij er een van de wereldwijd drie reviewing editors op psychologiegebied; de andere twee zijn Amerikanen. Het is hun taak om te beslissen of een artikel in aanmerking komt voor peer review (dus of het naar gespecialiseerde psychologen wordt doorgestuurd, die aanbevelingen doen voor acceptatie, afwijzing en/of wijzigingen) of dat het meteen afgewezen kan worden. De reviewing editors geven suggesties; de hoofdredacteur beslist.

Artikel Stapel

Dijksterhuis krijgt per week een artikel of drie binnen, waar hij binnen 48 uur een oordeel over moet geven. “Gelukkig zit er altijd één bij dat je binnen een kwartier kunt afwijzen”, zegt hij, “maar vaak moet je echt in de literatuur duiken, bijvoorbeeld om te kijken hoe nieuw iets is, en dan ben je gauw een uur verder. Het is wel heel leuk, omdat je vaak het beste werk van mensen te zien krijgt.” Dijksterhuis moet elk artikel een rapportcijfer geven, bij een 8, 9 of 10 suggesties doen voor reviewers, en hij moet op een schaal van 0 tot 5 aangeven hoeveel vertrouwen hij in zijn oordeel heeft. Hij gaf het wegens fraude teruggetrokken Science-artikel van Diederik Stapel uit 2010 indertijd een hoge score: “Dat zouden we zo weer aannemen, hoe gek het ook klinkt. Ik weet nog dat ik het kreeg en dacht: dit is eigenlijk heel erg goed.” Dat de data verzonnen waren, was niet te zien.

Zelf publiceert Dijksterhuis “een stuk of zes” artikelen per jaar. Wordt hij daarop afgerekend? “Eigenlijk is dat informeel: als je weinig publiceert, maak je geen carrière.” Maar als je al een vaste aanstelling hebt? “Het onderzoeksinstituut heeft een minimale eis, van ongeveer één internationale publicatie per jaar. Als je daar niet aan voldoet, kan het onderzoeksdeel van je contract worden beëindigd.” Er zijn geen eisen om eerste auteur te zijn of niet. “Als je met veel promovendi werkt, ben je sowieso zelden eerste auteur. Je eigen naam voorop zetten? Nee, dat zou absoluut niet gepikt worden, als je dat doordrukt word je met de nek aangekeken.” Als Dijksterhuis als eerste auteur publiceert is dat meestal op uitnodiging – een overzichtsartikel of een boekhoofdstuk. Dat zijn ook meteen zekere publicaties. Van de andere artikelen wordt 80 procent in eerste instantie afgewezen. Zo streng is het reviewproces.

Na Derks en Gloudemans komen Dijksterhuis’ onderzoeksassistenten langs, de ouderejaarsstudenten Iris van Ooijen en Maitta Spronken. Dijksterhuis betaalt hun aanstelling, één dag per week, van het geld dat de vakgroep krijgt om zijn functie in het MaGW-bestuur te compenseren. De student-assistenten zijn bezig een vragenlijst te ontwikkelen die meet hoeveel psychologische kennis iemand heeft over wat je moet doen om gelukkig te leven. Lichaamsbeweging, andere mensen helpen, je geld uitgeven aan ervaringen in plaats van aan spullen, dankbaar zijn voor wat je hebt – dat soort dingen maakt bijvoorbeeld aantoonbaar gelukkig, maar weten mensen dat? En gedragen ze zich er ook naar?

Spronken en Van Ooijen hebben een batterij aan vragen samengesteld en vragen zich af hoeveel vragenlijsttijd voor proefpersonen te behappen is. En hoe je überhaupt proefpersonen krijgt. Je moet ze in elk geval betalen, zegt Van Ooijen: “De laatste tijd komt niemand meer voor studiepunten.” Dat wordt dus een betaling in cadeaubonnen, zegt Dijksterhuis. “Het college van bestuur wil niet meer dat we contant geld geven.” Een ander probleem: hoe bereik je mensen zes of zeven keer per dag om te vragen hoe gelukkig ze op dat moment zijn, en of ze dan aan verleden, heden of toekomst denken? “Per sms?”, oppert Dijksterhuis. “En dat ze dan antwoorden 1=verleden, 2=heden, 3=toekomst?” Dat kost ook geld. De studenten gaan het uitzoeken.

Dijksterhuis betaalt zijn onderzoek van een NWO-beurs van de 1,25 miljoen die hij in 2005 kreeg en waaruit ook een aantal promovendi, postdocs en een deel van zijn eigen salaris zijn betaald. Hij verdient ook geld met lezingen over zijn onderzoek, zo’n 20 keer per jaar, maar met dat geld vult hij zijn salaris aan. Voor onderzoek heeft hij verder nog een potje “van een paar duizend euro, geloof ik” van de universiteit. “Ik ben er dit jaar nauwelijks aan geweest; daar hebben anderen van geprofiteerd. Maar volgend jaar heb ik het misschien weer zelf nodig.” Dan is het geld van zijn NWO-beurs op en hoopt hij met de resultaten van de geluksvooronderzoeken een nieuwe subsidieaanvraag te kunnen doen.

Of de ‘loopjes’ dan nog in het project zitten, is de vraag. Die hebben in het vooronderzoek niets bruikbaars opgeleverd. “Wat we wel weten”, mailt Dijksterhuis nog, “ is dat mensen enorm verschillen in of ze weten waar ze gelukkig van worden, maar dat ze zich er totaal niet naar gedragen.”