De toekomst is aan de hardloper zonder benen

Wat is de toekomst van de Olympische Spelen? Hoe zien die er over dertig, veertig jaar uit? Een gesprek met oud-topzwemmer Pieter van den Hoogenband en ex-atletiekcoach Henk Kraaijenhof. „De essentie raakt uit zicht.”

Pieter van den Hoogenband en Henk Kraaijenhof. Foto Roger Cremers

Gekscherend noemt hij hem wel eens ‘Gekke Henkie’. Maar beschouw dat vooral als een koosnaam. „Henk denkt out-of-the-box, zeker als het om topsport gaat. Waar jij en ik ophouden met kijken en begrijpen, daar begint hij pas. Elke keer als ik die man spreek, raak ik weer gefascineerd, omdat hij me telkens opnieuw weet te verrassen met een prikkelende gedachte of een provocerende stelling. Met als prettige bijkomstigheid dat hij geen blad voor de mond neemt. Hij zegt waar het op staat.”

Het topsportbestaan ligt achter hem, maar denk niet dat Pieter van den Hoogenband (34) de topsport vaarwel heeft gezegd. Nog dagelijks praat en filosofeert de oud-topzwemmer over de magie van het vak en de flinterdunne scheidslijn tussen winst en verlies. Een van zijn favoriete gesprekspartners: oud-atletiektrainer Henk Kraaijenhof (56). Op verzoek van deze krant schoven beiden vorige maand aan voor een gesprek. Met als insteek: de toekomst van de topsport in het algemeen en die van de Olympisch Spelen in het bijzonder.

Kijk beiden eens in de glazen bol: hoe zien de Olympische Spelen er over pakweg vier decennia uit?

Kraaijenhof, op uitdagende toon: „Bestaan ze dan nog? Die vraag kan je beter stellen. Mijn antwoord luidt ‘nee’. Het Internationaal Olympisch Comité is een bende struikrovers onder aanvoering van voorzitter Jacques Rogge, die elke geloofwaardigheid heeft verloren. Neem de recente zwendel in toegangskaarten voor ‘Londen’. Leden van nationale comités zouden betrokken zijn bij fraude met toegangsbewijzen. Om de twee jaar is het raak. Terwijl sporters genadeloos worden gestraft, moet hij weer een commissie instellen, die het zaakje gaat onderzoeken. Het IOC wordt bevolkt door hebzuchtige magistraten die elk contact met de werkelijkheid hebben verloren. Het is een ondemocratisch orgaan, met al even ondemocratische mensen, dat zijn beste tijd heeft gehad. Het publiek is al die schandalen zat, en keert zich langzaam maar zeker af van het IOC. En daarmee ook van hun vierjaarlijkse speeltje, de Olympische Spelen.”

Van den Hoogenband: „Zo, dat is een aardige binnenkomer. Maar ik begrijp het wel. Kijkend naar mijn eigen sport, het zwemmen, dan moet ik helaas ook constateren dat die geregeerd wordt door oude mannen, die weinig tot geen affiniteit hebben met de sport. Ze zijn daar ooit via bijvoorbeeld de Roemeense zwembond beland en blijven lekker zitten waar ze zitten. Bij de laatste wereldkampioenschappen, vorig jaar in China, zaten ze op de tribune letterlijk met hun rug naar het zwembad. Uit te buiken van een ongetwijfeld vorstelijke maaltijd. Ik vond dat een veelzeggend en tegelijkertijd stuitend beeld. Tijdens de prijsuitreiking kwamen ze uit hun luie stoel en werden ze met veel tamtam voorgesteld. Gevolg: ellenlange sessies, met sport als bijzaak. Geen tv-kijker die zo’n langdradig programma uitzit. Ik heb een tienpuntenplan geschreven om de zwemsport te verbeteren, attractiever en inzichtelijker te maken. Nooit een reactie op gekregen. Later kreeg ik te horen dat een van mijn voorstellen, het pleidooi voor kortere ceremonies, was uitgelegd als een persoonlijke aanval op de zittende bestuurders, en dat men daarom de rest van mijn voorstellen ook maar niet serieus had genomen.”

Maar vroeg of laat moet de wal het schip toch keren?

Kraaijenhof: „Ik mag het hopen, maar zie vooralsnog geen aanleiding voor enig optimisme. De enige manier om je staande te houden in clubs als het IOC is jezelf ook schuldig te maken aan de welbekende verdeel-en-heers-politiek. Kijk naar Sergej Boebka, de befaamde polsstokhoogspringer van weleer. Eens een revolutionaire geest, die zijn tijd ver vooruit was. Maar wat was het eerste wat hij deed toen hij toetrad tot de bestuurlijke kringen? De regels van het polsstokhoogspringen zodanig veranderen dat zijn eigen record niet meer verbroken kon worden.”

Van den Hoogenband: „Ik zat een tijdje geleden in Londen in de taxi met Frankie Fredericks, de oud-sprinter uit Namibië en winnaar van vier zilveren olympische medailles. Hij is nu lid van het IOC. Ik vroeg hem waarom wij zwemmers vier jaar geleden niet waren gekend in de beslissing om ochtendfinales te introduceren. Hij kwam met allerlei kulargumenten en zei onder meer dat Alexander Popov, mijn voorganger en de kampioen uit de jaren negentig, het als lid van de atletencommissie prima had gevonden. Popov had zich er niet tegen verzet, dus zou het wel goed zijn. Bovendien vonden de Amerikanen het ook prima, aldus Fredericks. Onzin! De enige die niet tegen was, was [veertienvoudig olympisch kampioen] Michael Phelps, omdat die dacht: mooi, dan kom ik elke avond prime time op de Amerikaanse tv, dat vergroot mijn marktwaarde. Zo werkt het dus.”

Dit dreigt een sombere avond te worden.

Kraaijenhof: „Welnee, de wereld draait gewoon door, hoor, dus geen zorgen. Maar ik meen het: over dertig, veertig jaar bestaan de Spelen niet meer. Het breekpunt is nabij. Ook de antieke Olympische Spelen van de Grieken zijn ooit als een nachtkaars uitgegaan. Iedereen schijnt dat vergeten te zijn, maar zo is het wel. Dat is evolutie. Wie kan de organisatie van de Chinezen bovendien nog overtreffen? Je wil ook niet weten wat ‘Londen’ heeft gekost. Neem alleen al de beveiligingskosten. Die zijn gigantisch, en dat op een moment dat een groot deel van de wereld middenin een recessie zit. Daar ben je als Brits staatsburger mooi klaar mee.”

Van den Hoogenband: „Dat kan wel zo zijn, maar ik zie de Spelen niet zo snel verdwijnen. Noem mij dan maar een idealist. Maar een aantal sporten zal wel drastisch moeten veranderen. En dan heb ik het niet alleen over zwemmen. Sporten als handboogschieten en gewichtheffen zijn in hun huidige vorm en opzet niet toekomstbestendig genoeg. Het zal dynamischer moeten. Dat eist het publiek.”

Kraaijenhof: „Verreweg de meeste sporten zoals we die nu kennen, hebben hun houdbaarheidsdatum al lang en breed overschreden. Dat geldt voor zwemmen, maar bijvoorbeeld ook voor wielrennen. Te klassiek, te conservatief. Die worden eruit gegooid om plaats te maken voor sporten ‘met de broek op half zes’: skaten, snowboarden, fietscross, kitesurfen. Zogeheten ‘flitsende’ sporten die veel meer aansluiten op de belevingswereld van jongeren.”

Atletiek en zwemmen gelden nota bene als de moedersporten van de Olympische Spelen.

Kraaijenhof: „Maar moeder is ziek, sterker nog: moeder is bijna dood. Neem atletiek, mijn sport. Supersprinter Usain Bolt weet het verval nog enigszins te maskeren, maar de waarheid is dat de publieke belangstelling al jaren afneemt. Mede daarom haken ook sponsoren af. Zeker nu, in deze ongewisse tijden. Ik was laatst bij de NK atletiek in het Olympisch Stadion in Amsterdam. Tweehonderd man en een paardenkop! Kijk naar de toeschouwersaantallen bij grote atletiektoernooien: die lopen terug, al jaren. De sport overleeft dankzij de Spelen, omdat die voorlopig nog een zekere aantrekkingskracht uitoefenen. Maar niet dankzij zichzelf.

„Het punt is: mensen hebben steeds meer prikkels nodig om gemotiveerd te raken. Dus wat krijg je? Marathons over de Noordpool, de hoogste berg beklimmen met één been, enzovoort. Een kennis van me heeft laatst deelgenomen aan Tough Mudder, een van origine militaire wedstrijd met een stormbaan, tunnels, water, prikkeldraad en stroom. Die kant gaan we op, want sport is eerstens en vooral entertainment. Die trend zal de komende jaren doorzetten. Je ziet het nu al bij wedstrijden: veel gewauwel van de speaker, dreunende beats die te pas en te onpas door de boxen schallen, en vóór de wedstrijd een optreden van René Froger. Het is show, het gaat om de buitenkant. Niet voor niets dat Nederland al bezig was met de huldiging van de voetballers, nog voordat er één bal getrapt was bij het EK. De essentie raakt uit zicht.”

Van den Hoogenband: „Wat ik ook een bedreiging vind: die alsmaar toenemende identificatie met topsport. Rafael Nadal had in Peking geen rust in het olympisch dorp. Ook daar werd hij opgejaagd door handtekeningenjagers en collega-sporters die constant met hem op de foto wilden. De sociale veiligheid is verdwenen. Een of andere grapjurk hoeft jou maar te fotograferen terwijl je staat te plassen en niet veel later geniet iedereen mee op Twitter. Dat schrikt topsporters af.”

Van wie komt de vernieuwing in de sport: van de commercie of de wetenschap?

Kraaijenhof: „De commercie, met de niet onbelangrijke kanttekening: voor zover de sport dat toelaat. Kijk naar voetbal. De doellijntechnologie is nog niet ingevoerd, maar langs de velden flitsen, dansen en draaien de reclameborden. Heel paradoxaal.”

Van den Hoogenband: „Sport zal ‘een totaalbeleving’ worden, zoals dat zo mooi heet, en vooral de commercie zal daarin een beslissende rol spelen. Ik heb het daar met Rogge wel eens over gehad. Hij denkt dat het niet lang meer duurt of mensen zitten op de tribune of achter de tv met een speciaal scherm waarop ze bijvoorbeeld de hartslag van de sporters kunnen aflezen. Unieke beelden, uniek materiaal.”

Kraaijenhof: „Sport wordt vaak geroemd om de eigen innovatieve kracht, maar dat is onzin. Zie de klapschaats. Het eerste ontwerp stamt uit 1898. Sindsdien zijn vijf octrooien aangevraagd. Elektronische tijdwaarneming? 1924. Filmopnamen om vertraagde beelden te bestuderen? 1928. Conditietesten? 1926. Heel veel dingen die de laatste jaren zijn gepresenteerd als ‘nieuw’ zijn in feite ‘oud in een nieuw jasje’. Een verbetering van wat Oost-Duitse wetenschappers dertig jaar geleden al bedachten ten behoeve van de topsport. Van de fietsergometer tot de onderwatercamera. Het is ook de illusie van kennis, die de sport parten speelt. Dankzij internet is iedereen tegenwoordig zogenaamd een expert. Maar tangodansen leer je niet uit een boekje.”

Welke rol gaat doping de komende jaren spelen? Krijgen we de eerste genetisch gemanipuleerde sporter?

Kraaijenhof: „Die bestaat al.”

Van den Hoogenband: „Wat zeg je nou!?”

Kraaijenhof: „Dat die al bestaat. Genetische manipulatie betekent niets meer of minder dan het inspuiten van een stof, en die stof zet bijvoorbeeld ergens in het lichaam een gen stil, dat prestaties in de weg kan zitten. Denk aan epo. Dat werkt andersom: dat bevordert de zuurstofopname en dus de prestaties. Iedere student medische genetica kan thuis in zijn badkamer genen manipuleren. Met het juiste DNA-materiaal kan zo een bepaald gen worden uit- of aangezet. Heel simpel, en het is vooralsnog niet op te sporen.”

Van den Hoogenband: „Maar dat is toch verschrikkelijk? Dan kan het vak van trainer worden afgeschaft, om maar eens wat te noemen.”

Kraaijenhof: „Klopt. Het druist ook tegen mijn beleving in, maar dat geldt voor wel meer dingen in de topsport.”

En dus kijken we straks naar een stel gemanipuleerde robots op een sportveld?

Kraaijenhof: „Zou best kunnen. In de eeuwige wapenwedloop tussen dopingzondaars en -controleurs trekken de laatsten altijd aan het kortste eind. Maar het is veel dichterbij dan je denkt. Stel: je wilt golfen, maar hebt slechte ogen waardoor je blikveld beperkt is. Dat is een handicap op de golfbaan. Wat doe je? Je laat je ogen laseren. Tiger Woods heeft dat gedaan. Het is een prestatiebevorderende medische ingreep. Ik veroordeel dat niet, ik constateer het slechts. Het is wachten op de eerste sporter die zijn benen laat amputeren, zodat hij niet meer verzuurt, en voortaan met twee protheses over de baan rent. Zoals die Zuid-Afrikaanse loper, Oscar Pistorius. Vergeet niet: mensen laten zich ook opereren om er beter uit te zien. Een nieuwe neus, dikkere lippen, grotere borsten, noem maar op.”

Van den Hoogenband: „Ik ken een Russische zwemster die haar borsten heeft laten verkleinen om gestroomlijnder en dus met minder weerstand door het water te gaan. Dus ja, het gebeurt al. Kan ik niet ontkennen.”