De Spelen tussen en haves have-nots

De Olympische Spelen beginnen komende week en Londen wil zich van zijn beste kant laten zien. Een jaar geleden was de stad nog het toneel van rellen met plunderende jongeren in de hoofdrol. Is de sociale onrust verdwenen?

Londen: op de voorgrond de arme wijk Hackney, op de achtergrond het dak van Olympisch Stadion. Foto Reuters

Dit is Londen vandaag: wapperende vlaggetjes langs de oevers van de Theems, in de winkelstraten en op de markt. Olympisch paarsgekleurde taxi’s, bestuurd door chauffeurs die daar trots op zijn. Gevulde bloembakken, gemaaide grasvelden, geverfde gevels, aangeveegde stoepen. Toeristen die elkaar fotograferen in de iconische rode telefooncellen voor de Big Ben. Behulpzame Londenaren die de weg wijzen, in een stad die zich van zijn beste kant wil laten zien. En overal de tastbare opwinding dat er iets groots staat te gebeuren.

Het is moeilijk voor te stellen dat deze stad bijna een jaar geleden in brand stond. Of je te herinneren hoe de geur van rook en de sporen van vernieling en plundering zich binnen een paar dagen door de stad verspreidden: van het arme Tottenham in het noorden, naar het hippe Hackney in het oosten, het rijke Notting Hill in het westen en de middenklassewijk Croydon in het zuiden. Hoe de politie door groepen jongeren werd uitgedaagd en uitgejouwd. Hoe winkels – zelfs in de wijken die niet waren getroffen – hun ruiten dichttimmerden en hun deuren sloten voor zonsondergang. En hoe bezorgde bewoners burgerwachten opzetten.

Zelfs de meest nuchtere commentatoren vreesden toen: deze stad glijdt af naar anarchie. En premier David Cameron had het over een broken society, een „samenleving die niet alleen kapot, maar eerlijk gezegd ook ziek” was. Dagen na de rellen schrokken Londenaren nog van een naderende sirene of laag overvliegende helikopter. Nu zorgt de eerste voor de gebruikelijke onverschilligheid, de tweede voor irritatie.

Waren de rellen een eenmalige oprisping?

Londen ziet er anders uit op de beelden die nu de wereld over gaan. Maar achter de glimmende façade van de Spelen is nog dezelfde opgekropte woede en wrevel voelbaar die vorig jaar met één vonk voor een explosie zorgde.

Je hoeft alleen maar te luisteren naar Ill Manors van de Londense rapper Plan B (alias Ben Drew). Daarin klinkt de stem van dat ressentiment. De stem van jongeren die geen baan hebben en die ook geen uitzicht hebben op werk. Die niet het gevoel hebben deel te nemen aan de maatschappij en zich er dan maar aan onttrekken. Relschoppen gaf hun even die illusie van macht.

Oi Oi We’ve had it with you politicians

Oi Oi you bloody rich kids never listen

Oi Oi There’s no such thing as broken

Britain

we’re just bloody broke in Britain

What needs fixing is the system

not shop windows down in Brixton

Of luister naar de verhalen van de inwoners van Hackney, Newham en Tower Hamlets, de drie wijken rondom het Olympisch Park – het zijn de armste wijken van het land. Mensen die er wonen vertellen dat hun buurt door de komst van de Spelen niet meer als de hunne voelt. Ze vertellen hoe ze hebben moeten toezien dat er flats werden gebouwd die zij zich niet kunnen veroorloven, kantoren kwamen waar zij niet zullen werken. Hoe er dure winkels zijn gekomen waar zij niet kunnen winkelen.

Nu is Londen altijd verdeeld geweest. Waar Parijs de armen wegstopt in banlieues, wonen working class en middle class in Londen van oudsher door elkaar. Het oosten van de stad, waar nu het Olympisch Park is verrezen, was altijd het armste deel van Londen. Hier streken de immigranten neer: eerst Joodse migranten en Hugenoten, toen Jamaïcanen en andere oud-koloniale inwoners, daarna Bengalen en nu Oost-Europese gelukzoekers. En waar nu Russische oligarchen, Arabische oliemagnaten en Aziatische rijken in het westen van de stad voor miljoenen appartementen kopen om daar niet in te wonen, deed vroeger de Britse upper class dat: een landgoed voor de zomer, een Londens herenhuis voor de winter.

In een wijk als Islington, geboorteplaats van Tony Blairs New Labour, wonen rechters, bankiers en journalisten. Maar vier op de tien kinderen groeien hier ook op onder de armoedegrens in een gezin waarvan soms meerdere generaties geen werk hebben gehad. Er zijn openbare scholen en dure privéscholen. Socialewoningbouwflats staan vlak om de hoek bij keurige Victoriaanse rijtjeshuizen van één miljoen pond en meer. De goedkope Iceland-supermarkt is er voor de een, het restaurant van Yotam Ottolenghi voor de ander.

Dát maakt Londen. Dat is de kracht en charme van Londen. Hier zegt een taxichauffeur verontschuldigend dat hij een working class-jongen is, maar sinds Margaret Thatcher toch liever op de Conservatieven stemt. Hier weet de Bengaalse krantenverkoper elke ochtend precies aan wie hij The Sun moet aanreiken en wie The Times. Hier word je op de markt herkend en begroet met ‘love’ en ‘dear’.

Want Londen mag met acht miljoen inwoners een metropool zijn en voor kunstenaars en hipsters the place to be zijn, in feite is het een aaneenschakeling van kleine dorpen met elk een mix van sociale verscheidenheid en kneuterigheid. Elk dorp heeft een eigen identiteit, zijn eigen stukje groen, zijn eigen winkelstraat, eigen markt, eigen voetbalclub, eigen pubs.

Dat merk je in groene buitenwijken als Harrow-on-the-Hill, speelterrein voor de bevoorrechten, of Eltham, waar de white van men – de timmermannen en loodgieters met hun busjes – zijn neergestreken. Wie daar woont, hoeft niet naar wat toeristen ‘het centrum’ noemen, op een bezoek aan een theater of museum na. Net zoals er een natuurlijke scheiding is tussen Londenaren ten zuiden van de Theems, die zelden de noordoever zullen bezoeken, en vice versa. Alleen een voorhoede van nieuwsgierige jongeren beweegt zich soepel tussen de dorpen, op zoek naar de nieuwste restaurants, de hipste clubs en de goedkoopste ateliers.

Cockney noch City

Misschien dat daarom de strak ontworpen olympische stadions zo vervreemdend zijn voor de bewoners van Hackney, Newham en Tower Hamlets. Ze passen niet in hun dorp. Ze zijn er niet gekomen uit behoefte. Zoals architectuurrecensent Jonathan Glancey opmerkte: „De olympische stad heeft niets gemeen met Londen; het is noch Cockney [het oude Oost-Londense dialect, red.] noch City in zijn DNA. Het zou een nieuw stuk Shanghai kunnen zijn. Individuele gebouwen zijn aan de oevers van de Lee en in de bermen van een curieus nieuw park neer gewaaid, als de wikkels van chocoladerepen die uit autoraampjes zijn gegooid.”

De stadions zijn bovendien van niemand.

De working-classbewoners uit de olympische wijken vrezen dat de stadions niet de beloofde opknapbeurt brengen, maar yuppificatie. De middenklasse – en niet alleen die uit Londen – ziet ze als kunstobject. Wie de afgelopen maanden op een doordeweekse dag bij het park was, trof Rotaryclubs, huisvrouwenverenigingen, leesclubs en scouts op excursie. Er zijn kaartjes gekocht voor de Spelen, meer om erbij te zijn, om de belevenis, dan voor de sport. Wie het zich kan veroorloven, heeft de stad al voor een vakantie verlaten.

Zo worden ook de Olympische Spelen een symbool voor de sociale gelaagdheid in de stad. Voor het verschil tussen degenen die Londen hiermee van zijn beste kant willen laten zien en diegenen die zich erdoor buitengesloten voelen, voor wie de nieuwe gebouwen en infrastructuur niet veel meer zijn dan een lik verf die de problemen niet oplossen. Tussen de haves en de have-nots.

Lege verdiepingen

Hetzelfde geldt ook voor de Shard – de Scherf – Europa’s hoogste gebouw dat begin deze maand werd geopend. Als een moderne kathedraal is het spiegelpaleis vanuit alle hoeken van de stad te zien. Tot nu toe beperkte moderne hoogbouw zich tot Canary Wharf en de City, de financiële centra waar Londen werkt, waar slechts enkelen wonen. Maar aan de voet van de Shard krioelt de gewone stad met zijn Victoriaanse rijtjeshuizen, sjofele buurtwinkels en ouderwetse pubs. De 72 verdiepingen bevatten een vijfsterrenhotel, een restaurant, tien luxe appartementen, kantoren en een aantal winkels. Er is tot nu toe slechts één huurder, voor het hotel. Zesentwintig verdiepingen, 557.000 vierkante meters, staan leeg.

Ze zijn onbereikbaar voor de gewone Londenaar. Die is op zoek naar goedkope huisvesting, en die is er niet. Huizenprijzen zijn gestegen, de gemiddelde huurprijs is duizend pond per maand voor een eenkamerflat, de voorraad sociale woningbouw groeit niet, en de regering wil een maximum stellen aan de huurtoeslag. Minima besteden inmiddels driekwart van hun brutoloon aan huur. Zo dreigt de sociale verscheidenheid die Londen Londen maakt te verdwijnen, doordat armere bewoners het zich niet meer kunnen veroorloven om in het centrum van Londen – zone 1 en 2 van de underground – te wonen.

De tegenstellingen tussen arm en rijk worden sinds eind jaren zeventig almaar groter. Sociaal geograaf Danny Dorling stelde vorig jaar dat de levensstandaard in Londen sinds de tijd van Charles Dickens weliswaar is verbeterd, maar dat de kloof tussen arm en rijk even groot is.

Geen enkele Europese stad kent ook zúlke tegenstellingen als Londen, waar de rijkste 10 procent 273 keer zoveel te besteden heeft als de armste 10 procent. In zijn jongste onderzoek naar ongelijkheid signaleert Dorling dat het inkomensaandeel van de rijkste 1 procent gelijk is aan dat in 1940, namelijk 15 procent van het nationale inkomen. Om daartoe te behoren moet je meer dan 120.000 pond per jaar verdienen. Het gemiddelde inkomen in het Verenigd Koninkrijk is 26.871 pond.

En in geen enkele Europese stad is afkomst zo bepalend. Hier is het nest waar je geboren bent nog altijd doorslaggevend voor je opleiding, loopbaan en toekomst. In Hackney, Newham en Tower Hamlets ligt het aantal mensen met een uitkering iets boven de 11 procent. In het rijkere Chelsea is het 2,4 procent. Hoe verder oostwaarts vanaf Westminster, waar het parlement ligt, des te lager de levensverwachting, merkte minister van Gezondheid Alan Johnson al in 2008 op. En dat is zo gebleven. Met elk metrostation langs de Jubilee-lijn richting het Olympisch Park daalt de levensverwachting met bijna een jaar. Liefdadigheidsorganisatie Nominet had het deze week over „een postcodeloterij”.

De armste Londenaren hebben niet geprofiteerd van de economische bloei in de jaren negentig, noch van het opknappen van hele wijken. Lonen, de kans op werk en sociale mobiliteit zijn niet gegroeid, en nemen volgens sommigen door de economische crisis zelfs af.

Bovendien is geen enkele stad de laatste jaren zo met zijn neus op het gegeven gedrukt dat om meer te krijgen, je moet – je kunt – pakken wat je pakken kan. Dat deden de bonusbeluste bankiers, de met declaraties sjoemelende Lagerhuisleden, en dat deden de politieagenten die zich door journalisten lieten omkopen. De rellen waren een schreeuw om aandacht, maar ook een strooptocht naar materiële zaken als sneakers en mobiele telefoons.

Mark Duggan

Er is sinds vorige zomer weinig veranderd. Drieduizend relschoppers hebben voor de rechter gestaan, het merendeel is bestraft. Het onderzoek naar het doodschieten door de politie van de 29-jarige Mark Duggan – de aanleiding voor de rellen die in Tottenham uitbraken – loopt nog. Een onafhankelijke commissie, opgezet door de regering, onderzocht de oorzaken van de rellen en concludeerde dat ze het gevolg waren van een gebrek aan kansen voor jongeren, een problematische opvoeding, doorgeslagen materialisme en een diep wantrouwen jegens de politie. Meer Britse jongeren zouden „een belang bij het wel en wee in de maatschappij” moeten krijgen om nieuwe rellen te voorkomen.

Snel ging Londen weer over tot de orde van de dag. Geld voor projecten om de oorzaken structureel te bestrijden, kwam er niet, het bleef bij particuliere en lokale initiatieven.

Met de Spelen, die toen nog ver weg waren, hadden de rellen weinig te maken. De enige olympische wijk waar werd geplunderd was Hackney. Vanaf Mare Street is het een kleine tien minuten fietsen naar het Olympisch Park. Een typische dorpse winkelstraat, met wat banken, mobiele-telefoonwinkels, enkele lokale variaties op fastfoodketen KFC, bookmakers, en kappers. Vorig jaar stonden hier de relschoppers, hun gezichten verstopt in capuchons, tegenover de oproerpolitie.

Maar in het onderzoek dat The Guardian en London School of Economics samen deden, trokken jongeren wel een verband. De Olympische Spelen kosten de belastingbetalers 9,3 miljard pond. Ondertussen wordt er tot 2014 83 miljard pond bezuinigd op jeugdwerkers en op de sociale bijstand.

„Als je 2012, al dat geld en al die moeite steekt in iemand zoals ik, iemand die aan de rellen deelnam, dan zal je een verandering zien. Het is niet eerlijk om ons gewoon maar gangsters te noemen”, vertelde een negentienjarige relschopper.

Zoals Plan B rapt:

Who closed down the community

centre?

I killed time there, used to be a member

what will I do now ’til September?

Schools out, rules out, get your bloody

tools out

London’s burning,

I predict a riot

De politie waarschuwde begin deze maand voor nieuwe rellen. Ze noemde de verslechterende sociale en economische situatie als oorzaak, en zei dat ze zich door bezuinigingen – en de inzet tijdens de Spelen – zorgen maakt of er wel voldoende mankracht is. Een politiecommandant zei dat hij blij is dat mooi zomerweer zoals vorig jaar nog uitblijft. Regen en rellen verdragen zich slecht.

Maar wie door olympisch Londen loopt, ziet niets van de problemen. De stad laat zich van haar beste kant zien. Vrolijk wapperen de vlaggetjes aan de oevers van de Theems.