De Grootbanken ont-maskerd: ING Groep(2)

Hoe beoordeelt een particuliere belegger de prestaties van een beleggingsfonds? Simpel: hij zoekt een openbare bron op, zoals de vergelijkingssite Morningstar.nl, en zet het behaalde rendement af tegen dat van vergelijkbare fondsen, of tegen de ontwikkeling van een relevante index.

In zijn boek Ontmaskerd vergelijkt Peter van der Slikke een groot aantal actief beheerde fondsen van Robeco en de grote Nederlandse banken met ‘hun’ indices. Zijn conclusie: veruit de meeste fondsen blijven daar structureel bij achter. De belegger is beter af met trackers, die automatisch een index of een mandje onderliggende waarden volgen. Die zijn veel goedkoper en bieden mede daardoor op de lange termijn een beter rendement.

Van der Slikke vergelijkt appels met peren, stelde ING vorige week in deze column. Hij had de fondsen met trackers op ‘hun’ markten moeten vergelijken. Want die kan de belegger kopen; indices niet.

Komen de ING-fondsen er dan beter vanaf? „JA!”, roept Ivar Roeleven van ING Investment Management tijdens een nadere toelichting aan de telefoon. „Met hoofdletters en een uitroepteken. De meeste van onze fondsen presteren gemiddeld beter dan de trackers waarmee je ze het beste kunt vergelijken.”

Dat moge zo zijn, verwarrend is het wel: aanbieders als ING gebruiken zelf indices als benchmarks voor hun fondsen.

En het wordt nog ingewikkelder. Van der Slikke baseerde zijn berekeningen op data van Morningstar over de periode 2002-2011. Soms gebruikte hij een kortere periode, omdat Morningstar minder ver terugging of een fonds minder lang bestond. Verder deed hij wat iedere particulier doet, en deze columnist trouwens ook: op grond van alle winsten en verliezen tijdens de gemeten jaren de totale (cumulatieve) rendementen uitrekenen, en de gemiddelde rendementen per jaar.

„Wat absoluut niet mag”, aldus Roeleven, „is zelf meetperiodes kiezen, of zo maar rendementen optellen en aftrekken.” Zijn collega Pieter Wind vult aan: „Wij hebben ons te houden aan de wet en de eisen van onze toezichthouders.”

En die schrijven voor dat ING in haar eigen rendementsberekeningen de voortdurende verandering van het fondskapitaal meeweegt, en de momenten waarop dat verandert. Door het hele jaar heen hebben fondsen immers te maken met in- en uitstappende beleggers. „En 10 procent van 100 is iets anders dan 10 procent van 110, of van 90”, aldus Wind.

Zo blijft het ING Hoog Dividend Obligatie Fonds volgens Van der Slikke over 2002-2011 cumulatief 52,53 procent achter bij zijn benchmark. Zelf komt ING uit op een half zo groot gat: 26 procent.

Probleem is alleen dat de ING-rekenmethode door de particulier niet valt te herhalen. Die zal het moeten doen met de simplificaties van de openbare bronnen.

Joost Ramaer