Woeste hoogten

Stephan Enter en Edzard Mik publiceerden afgelopen jaar beiden een bergbeklimmersroman. Een gesprek over onsterfelijkheid en waaghalzerij in een zomer vol klimongelukken.

ij schrok wel even afgelopen herfst, geeft Edzard Mik toe. „Het is alsof je na een lange klim bovenop een berg komt – en dat daar dan al iemand blijkt te zijn.” Die persoon was schrijver Stephan Enter, die in november zijn alpinistenroman Grip publiceerde. Het waren precies de weken waarin zijn collega Edzard Mik de laatste hand legde aan zijn eigen bergbeklimmersroman, Mont Blanc. Die verscheen in april.

Zo kent het laagland plotseling twee nieuwe romans die de lezer mee nemen naar het hooggebergte – boeken die bovendien uitstekend werden ontvangen en goed verkocht (Grip is zelfs al aan de negende druk toe). Mont Blanc en Grip voldoen aan de verwachtingen van het klimmersgenre – ongelukken, bijna-ongelukken, echte cliffhangers – maar uiteindelijk zijn de thrills bijzaak. Bij Enter worden de verhoudingen tussen vier vrienden tijdens een klimtocht door de ongerepte Lofoten in Noorwegen op scherp gesteld. Bij Mik gebeurt iets vergelijkbaars tussen een vader en een zoon in de van toeristen vergeven Alpen bij Chamonix. En in beide romans begrijp je pas later dat de vertellers maar een deel van de waarheid prijsgeven.

Enter en Mik kennen elkaar uit een gezamenlijk Utrechts verleden, maar wisten de afgelopen jaren niet van elkaar waar ze mee bezig waren. Inmiddels hebben ze elkaars boeken gelezen en zitten ze bij de Dom in Utrecht, eeuwenlang het hoogste gebouw van Europa. Het waait, de wolken zijn donker – geen klimweer, maar weer om veilig in het dal te blijven.

U heeft verschillende locaties voor de romans gekozen: de volledig verlaten Lofoten versus de hondsdrukke Alpen.

Mik: „Ik denk dat dat geen toeval is. In Chamonix is het toerisme zo ongeveer uitgevonden, het is daar zo druk dat het eigenlijk een stedelijke omgeving is, dat interesseerde mij. Voor Stephan zou het daar denk ik vreselijk zijn. Ik ben meer een mediterrane persoonlijkheid, zit het liefst in Griekenland, Italië of Spanje.”

Enter: „De Lofoten zijn met niets te vergelijken. Door het licht, maar ook door de rust. Daar kom je in een berghut waar plaats is voor vijftig mensen – en dan ben je de enige.”

Bent u een echte klimmer?

Enter: „Ik houd erg van de bergen, net als de hoofdpersoon uit mijn vorige boek Spel werd ik als kind door mijn grootouders meegenomen naar Zwitserland. Eigenlijk had ik nu daar moeten zitten, op de Lagginhorn, die berg waar drie weken geleden een groep Duitsers vanaf is gevallen – maar de vriend met wie ik zou gaan kreeg een knieblessure. Ooit, op mijn zestiende, ben ik door een aantal ooms mee de Matterhorn opgenomen. Dat maakte indruk.”

Mik: „Ik wist weinig van klimmen voor ik aan Mont Blanc begon. Voor mij waren de Alpen jarenlang die dingen die in Zuid-Duitsland opdoemden als je naar Italië reed en die daarna langzaam weer wegzakten. Vlak voordat ik met het schrijven van Mont Blanc begon, zo’n twee jaar geleden, besloot ik voor de research van mijn boek naar Chamonix te gaan. Het Mont Blanc-massief is vergeven van de toeristen. Toch was de ervaring op de gletsjer groots. Maar altijd komt er wel het moment dat het gaat misten, dat iemand bijna valt. Eén verkeerde stap en je bent er geweest. De toeristen vallen er deze zomer ook weer met bosjes vanaf.”

Enter: „Volgens mij hebben we een totaal andere benadering. Bij jouw hoofdpersoon zijn de bergen bedreigend, een verschrikking. Mijn associatie is juist een heel andere. Ik denk aan de euforie die je voelt als je aan het klimmen bent: je lichaam bestaat uit stalen kabels, je bent onkwetsbaar.”

Mik: „Die onkwetsbaarheid ziet mijn hoofdpersoon bij zijn zoon, die een echte alpinist is. Daar kan hij niet goed tegen, het maakt hem jaloers, hij blijft maar onderzoeken wat zijn zoon met de bergen heeft.”

Enter: „In mijn boek speelt het gevaar op een positieve manier een rol, vanuit het idee: als je dit durft, dan leef je echt. Als je tegen een rotswand opklimt, geeft de nabijheid van de bergen je een heel krachtig gevoel.”

In Grip zijn de bergen toch ook gevaarlijk? Aan het eind van de roman bevindt een van uw hoofdpersonen zich in een uitzichtloze positie als hij euforisch tegen een rots is opgeklommen, maar geen terugweg meer heeft.

Enter: „Zo’n stommiteit als Vincent in de roman begaat, heb ik letterlijk zelf meegemaakt in Wales. Ik was met een vriend en zijn kind op een strandje, zag een klifwand en dacht: weet je wat, ik klim naar boven. Tot ik bovenaan geen grip meer kon krijgen en ook niet meer terug kon.”

U zit hier nog.

Enter: „Ik vond uiteindelijk wel een richeltje.”

In de roman staat niet expliciet hoe het met Vincent afloopt.

Enter lacht: „Lezers discussiëren daar soms over. En ze worden boos als ik weiger om het te vertellen.”

Waarom hebt u ervoor gekozen om uw roman in de bergen te situeren?

Mik: „Ik was al jaren geleden gefascineerd door de boeken van de klimmer Ronald Naar. Die hebben iets kafkaësks, labyrintisch. Daardoor speelde het thema al een tijd in mijn hoofd. In de bergen ben je helemaal teruggeworpen op jezelf, je hoopt op verlossing, op een behouden terugkeer. Ik houd van situaties waarin dingen op scherp gezet worden door de omstandigheden: in Goede tijden, mijn vorige roman, loopt de binnenstad van Maastricht onder water. Dat in dat boek een surreële situatie die een vergelijkbare werking heeft.”

Een berg is toch geen overstroming?

Mik: „Ook het lopen in de bergen schept wel een nieuwe, bijzondere situatie. Je ziet het in de relatie tussen de vader en de zoon in Mont Blanc. Onder druk van de omstandigheden verschuiven hun rollen. De vader stelt zich daar steeds meer als zoon op, als degene die afhankelijk is en geleid moet worden.”

Enter: „Ik was begonnen aan een ideeënroman over onsterfelijkheid, maar dat liep al snel dood. Toen zijn de personages in de bergen beland. Ik zocht een sfeer die zich laat vergelijken met die uit The Sheltering Sky: waarbij de vluchtige mens zich tegenover de eeuwige natuur bevindt. Bij Paul Bowles is dat de woestijn, bij mij zijn het de bergen.”

Gaat het dan om harmonie met de natuur?

Enter: „Dat heeft er wel mee te maken. Onsterfelijkheid is een belangrijk thema in het boek. Dat wordt vaak gezien als een vloek, maar aan het eind van het boek zie je Paul, een van de hoofdpersonen, zich met het idee verzoenen, op een zenboeddhistische manier. Als er een boodschap in het boek zit, dan is dat het. Het verhaal met de bergen verbinden heeft voordelen. Het schrijven over een specifieke situatie die je kent, betekent dat je veel details kunt geven.”

Mik: „Voor mij is er tot mijn verrassing een leven voor en na de Alpen. Hoewel ik tegen mezelf zei dat ik er gewoon was om onderzoek te doen voor mijn roman, ging mijn ervaring op de gletsjer veel verder, alsof ik iets overwon waar ik tot dan toe altijd omheen was gegaan. Ik zie ook een overeenkomst met het schrijven van een boek.”

Wat is die dan?

Mik: „Het oproepen van beelden, het je herinneren van situaties zoals je dat doet tijdens het schrijven heeft een intensiteit die verwant is aan wat je gewaarwordt als je in de bergen verkeert.”

Enter: „Ik deel dat helemaal niet, als ik schrijf ben ik emotieloos. Bij het bedenken van een plot mag al het mogelijke gevoel komen kijken, maar het schrijven zelf is een ambacht.”

Mik: „Ik zeg niet dat je geëmotioneerd moet zijn, ik zal nooit een traan laten tijdens het schrijven. Wat ik bedoel is de intensiteit van het schrijven zelf: hoe je de lichtval op een bergtop probeert op te roepen, een stap op een richel of rots. Bij de bergen ontstaat die intensiteit vanzelf, doordat je op elke stap moet letten, op elke beweging, en de omgeving tegelijk overweldigend is.”

U heeft Mont Blanc relatief snel geschreven.

Mik: „Ik wilde, meer dan in mijn vorige boeken, het verhaal zijn gang laten gaan. De energie die ik voelde, wilde ik er zo direct mogelijk in leggen. Zelf ben ik een intens persoon, dat mag best in de roman. Ik wilde minder construeren. Het gevolg is dat ik aan het eind veel heb moeten schrappen. Er zijn 25 duizend van de 100 duizend woorden uit gegaan.”

Hoe zit dat met Grip? Ik las dat het eerst een boek van 750 bladzijden was.

Enter: „Dat is een misverstand. Ik had veel aantekeningen, maar de roman zelf is nooit zo dik geweest. Maar er is wel het een en ander uitgegaan. Zo had ik aanvankelijk ook een schets uit het perspectief van Lotte, de vrouw uit de vriendengroep. Uiteindelijk vond ik het veel sterker om haar in de lucht te laten hangen.”

Enter pakt het exemplaar van Grip dat op tafel ligt en wijst een zin aan waar hij tevreden over is. „Ik ben een schrijver die uit de stilistische hoek komt, tot mijn 22ste heb ik eigenlijk alleen poëzie geschreven. Als ik schrijf is het ploeteren op de vierkante centimeter.”

Mik: „Nee, bij mij juist niet! Meer dan voorheen wilde ik het verhaal zijn gang laten gaan en schrijven zoals de zinnen en beelden in mij opkomen. Ik wilde het zo dicht mogelijk krijgen bij hoe ik denk en associeer.”

Herleest u uw boeken?

Enter: „Als voorbereiding op interviews. Ik vind dat ik de plaats van elke komma moet kennen. Nu staat het boek verder van me af en geniet ik bij het lezen van sommige passages.”

Mik: „Het blijft vreemd, hoe snel de overgang is als een boek eenmaal af is. Ineens staat het veel verder van me af; is het eigenlijk dood. Dat geeft me een onbehaaglijk gevoel.”

Enter: „Heb je dat onmiddellijk? Meteen als het af is? Ik zie in oudere boeken van mezelf dingen die ik niet goed vind, maar dan denk ik: zo was ik toen.”

Mik: „Ik herlas laatst mijn eerste korte verhaal, dat ik schreef rond mijn dertigste. Daarvoor had ik gewerkt als advocaat en journalist, maar dit was het moment waarop ik ontdekte dat ik een eigen wereld kon maken in een taal die ik kon herkennen, die van mij was. Ik zag onbeholpenheid, maar er zat ook een mooie naïviteit en onbevangenheid in het verhaal.”

Enter: „Ik denk dat een ervaren schrijver vooral veel eerder ziet wat toch niet zal werken. Zoals het verschil tussen een amateurschaker en een grootmeester is dat de amateur twijfelt tussen tien zetten en de grootmeester tussen twee. Van die andere acht heeft hij meteen al gezien dat ze niet goed zijn.”

U wilde altijd al schrijver zijn?

Enter: „Ik heb nooit een eerzaam beroep gehad, zoals Edzard. Ik schreef mijn eerste verhaal op mijn elfde, nadat ik in Zwitserland was geweest. De aanleiding was dat de bergen er in het echt heel anders uitzagen dan ik me had voorgesteld. Dat is uiteindelijk toch wat ik het meest probeer als schrijver. Heel precies schrijven hoe de dingen net anders in elkaar zitten, als een metafoor van hoe ik de dingen nog niet eerder heb gezien.”

Mik: „De metaforen zitten in Mont Blanc juist meer op de achtergrond. Ik probeer ze te laten resoneren met het verhaal, een ander leven, een andere ruimte te scheppen.”