Pleinen aller landen, verenigt u

Van het Tahrir-plein in Kairo tot Occupy Beursplein, overal in steden klinkt de roep om meer democratie. Maar heeft sociaal-geograaf Harvey gelijk als hij alle stedelijke opstanden ziet als een aanval op het roofkapitalisme?

Er woedt een strijd in onze steden, een al meer dan honderdjarige oorlog tussen de haves en de have-nots. Tussen de dominante stam van hoog opgeleide witte mannen en de gemarginaliseerde minderheden. Tussen de dagloners, zwartwerkers en illegalen enerzijds en de bankiers, politici en projectontwikkelaars anderzijds. Tussen Wall Street en Occupy en jawel: tussen het proletariaat en de bourgeoisie.

David Harvey (1935), een wit bebaarde Brits-Amerikaanse sociaal-geograaf die we kunnen aantreffen in de collegezalen van de City University of New York en op het podium bij Occupy-demonstraties, is al veertig jaar de belangrijkste ideoloog van deze stedelijke klassenstrijd. In zijn nieuwste boek Rebel Cities brengt hij de demonstraties tegen de financiële industrie in New York, Londen en Amsterdam in verband met de bloedige strijd om democratie in Tunesië, Libie en Egypte en de recente rellen in Parijs en Londen.

Steeds houdt Harvey de lezer het voorbeeld van de Parijse Commune van 1871 voor, toen de Parijzenaars gedurende enkele weken lang een autonoom zelfbestuur hadden, nadat de Franse regering en het leger door de verloren oorlog tegen Pruisen in ongerede waren geraakt. De Communards verloren uiteindelijk de strijd, maar die werd volgens Harvey wel de broncode voor de huidige beweging: het terug veroveren van de stad door het volk, het creëren van een waarlijk collectieve ruimte – de ‘commons’, in het jargon van de stedelijke klassenstrijd – vrij van de kapitalistische hegemonie. Voor Harvey is dit de gemeenschappelijke voorvader van de steden die rebelleren tegen de hegemonie van het grootkapitaal.

Deze uitmuntend getimede, maar daardoor misschien wat ruw in elkaar gestoken verzameling recente artikelen, worden door Harvey en zijn uitgever, het activistische Verso Books uit Londen, niet als een academische publicatie in de markt gezet, maar als een manifest. Toch is een deel van dat manifest wél academisch van aard.

Harvey wijst op een leemte in de marxistische analyse van de kapitalistische maatschappij: de stad. Weliswaar schreef Friedrich Engels al in Zur Wohnungsfrage (1872) hoe de bourgeoisie onder het mom van slop-opruiming en hygiëne de arbeiders steeds weer uit de stad verwijderde naar nieuwe rafelranden, maar dit zag Engels nog als een bijeffect van de onderdrukking van arbeiders in de fabriek. Harvey keert het om: voor hem is de klassenstrijd in essentie de strijd om de stad. Met terugwerkende kracht breidt Harvey het begrip proletariaat daarom uit van de arbeider naar de volledige ‘klasse’ van stedelingen die zuchten onder de druk van het kapitalisme. In de stad buit de bourgeoisie het proletariaat uit, door het de toegang tot voorzieningen te ontzeggen, door het in wurgcontracten met huisbazen te fixeren, en door het te verplaatsen naar de marges van de stad. Het gaat dan bijvoorbeeld om de ‘gentrificatie’ van voorheen volkswijken waarbij de buurtwinkel wordt vervangen door een dure espressobar, en de prijzen zo omhooggaan dat de oorspronkelijke bewoners die niet meer kunnen betalen. In Nederland zouden de ‘stadsvernieuwingsnomaden’, de probleemgezinnen die door de herstructurering van wijk naar wijk worden verplaatst, een klein maar mooi voorbeeld voor Harvey kunnen zijn.

De strijd wordt met zware middelen gevoerd. In het Parijs van de 19de eeuw sloopte baron Haussmann het proletariaat uit het centrum om de boulevards voor de bourgeoisie aan te leggen. In het New York van halverwege de 20ste eeuw trok de gemeentelijke ‘bouwcoördinator’ Robert Moses diepe voren van freeways door de binnensteden en versplinterde hij de veelal zwarte arbeiderswijken. En in het hedendaagse China wordt het stedelijke proletariaat uit zijn huizen gejaagd ten behoeve van ‘Central Business Districts’.

Maar stedelingen zijn geen willoze slachtoffers, getuige de rellen in de Amerikaanse inner cities eind jaren zestig, of de recentere opstanden in de Franse banlieues. In beide gevallen waren grootschalige stadsvernieuwingsprojecten de lont in het kruitvat, in America de ‘Urban Renewal’, in Frankrijk de ‘Grand Projet de Ville’-projecten, waardoor de Noord Afrikaanse minderheden hun woningen gesloopt zagen worden. In China kan de onrust in de steden die in een permanente staat van sloop en nieuwbouw verkeren, slechts met de grootste moeite worden onderdrukt.

Rebel Cities is een episch verhaal over strijd en verzet dat culturele en geografische verschillen probeert te overstijgen. De kracht ervan is dat je de vernieuwing van Nederlandse steden gaat verbinden met de gruwelijke ongelijkheden in de steden van de Tweede en Derde Wereld. Het kannibaliseren van Nederlandse steden door te grote nieuwbouwprojecten is een gevolg van dezelfde samenzwering tussen vastgoedfinanciers en overheden die ook leidt tot de onderdrukking van rurale Chinezen in Beijing, Shenzen of Shanghai.

De vaststelling dat alles is terug te voeren op de macht van de financiële markten over onze steden is wellicht overtuigend, maar Harvey ontleent hieraan ook de argumentatie voor een wereldwijde opstand, één coherente tegenbeweging tegen de gemeenschappelijke vijand: het kapitalisme. En precies daar wordt het boek van een felle cultuurkritiek tot een preek voor de eigen revolutionaire parochie.

Is de financiële crisis van 2008 werkelijk de echo van de Franse verloren oorlog tegen het Pruisen? Is Occupy, dat volgens Harvey ‘de betogers op het Tahrir-plein’ omarmt en ‘de indignados’ in Spanje, de stakende Griekse arbeiders, en ‘de militante protesten die opkomen van Londen tot Durban, Buenos Aires, Shenzhen en Mumbai’ omvat, de Commune van de 21ste eeuw?

‘The Party of Wall Street meets its nemesis’, schrijft hij over Occupy in het laatste hoofdstuk. Het financiële systeem is onherstelbaar beschadigd en aan ‘ons’ de taak om een radicaal alternatief te bouwen op haar ruïnes.

Maar kunnen we de tentenkampen op het Amsterdamse Beursplein werkelijk zien als de vooruitgeschoven posten van één revolutie, die dan de behoeften zal inlossen van zowel de hongerige Chinese landarbeider, als de uit zijn atelier wegbezuinigde Rotterdamse kunstenaar en de naar democratie en werk hongerende Egyptenaar? Zijn hun ideeën over een eerlijke maatschappij, hun behoeftes en vooral hun strijdmiddelen niet te verschillend, te tegengesteld zelfs, om ze onder één noemer te plaatsen? Is bijvoorbeeld Occupy niet eerder een uiterst breed geformuleerd protest, tegen ‘het’ (financiële) systeem in de traditie van mei ’68? En gaat de strijd in de Arabische en Aziatische steden niet juist om klassieke ‘bourgeois’ vrijheden als democratie, vrijheid van meningsuiting en het recht op ondernemerschap, in de traditie van, bijvoorbeeld, de omwentelingen van 1989 in Oost-Europa? Laten we niet vergeten dat de Arabische Lente begon met een Tunesische groenteverkoper die zich in brand stak uit protest tegen het voortdurende getreiter van de gemeentepolitie, die het hem onmogelijk maakte om zijn goederen te verkopen.

Nog los van het feit dat de Occupy-beweging haar vuur inmiddels lijkt te hebben verloren, is het grootste probleem van Rebel Cities dat Harveys bijna voelbare verlangen naar een wereldopstand tegen het kapitalisme maakt dat hij voorbij gaat aan de werkelijke problemen en verlangens van stedelingen in opstand, verlangens die van plek tot plek zeer verschillend kunnen zijn. Het zou Harvey’s hele verhaal onderuit halen als hij moest toegeven dat de opstanden in de ontwikkelende wereld niet gaan om het vervangen van het kapitalistische systeem door een utopie, maar om het recht van de grote massa om gewoon mee te mogen doen en mee te mogen beslissen.

Als een J’accuse aan het adres van het huidige roofkapitalisme dat onze eigen, rijke westerse steden kapot maakt, en daar buiten zorgt voor onvoorstelbare vormen van ongelijkheid en onderdrukking, is Rebel Cities meedogenloos en indrukwekkend. Maar als een manifest voor één geglobaliseerde revolutionaire beweging, vervaagt het boek in het wensdenken van een oude academische revolutionair.