Nooit de deur uit zonder Moleskine

Sipko Melissen Foto Bart Koetsier

Sipko Melissen verstaat de kunst van het verwijzen. Hij vertelt in zijn nieuwe roman, Een kamer in Rome, niet één overzichtelijk verhaal, maar zet zijn lezers om de haverklap op een interessant zijspoor. Voordat ik me enigszins vertrouwd begon te voelen met hoofdpersoon Daniël, een 25-jarige letterenstudent, had ik me, daartoe uitgenodigd door Melissen, al in allerlei uiteenlopende zaken verdiept. Nog eens nagedacht over de moord op Theo van Gogh en over de morele implicaties van Het diner van Herman Koch. Gebladerd in Pale fire en Lolita van Nabokov. Een tijdje gestaard naar de foto van het merkwaardige Romeinse dubbelgraf van de Engelse dichter John Keats en diens jeugdvriend Joseph Severn, die hem tientallen jaren overleefde. Ook had ik, een beetje duizelig, zitten kijken naar een documentaire over de Franse koorddanser Philippe Petit die zonder overleg met de autoriteiten, een kabel wist te spannen tussen de Twin Towers. Op 7 augustus 1974 wandelde hij onder grote publieke belangstelling over het koord heen en weer met zijn evenwichtsstok. Daarna werd hij ingerekend door de New Yorkse politie.

Mooie verhalen, intrigerende verwijzingen. De letterenstudent zelf blijkt ook iemand te zijn die van dwaalwegen houdt. Geen praktisch type dat vroeg opstaat om nuttige dingen te gaan doen of te gaan sporten. Hij is een peinzer, een toeschouwer, die vooral ’s nachts tot leven komt tijdens het bestuderen van liefst zo raadselachtig mogelijke boeken, geschreven door al even raadselachtige auteurs.

Zijn vriendin stelt vast dat hij meer houdt van lezen dan van leven en meer waarde hecht aan verzinsels dan aan de zichtbare werkelijkheid. Een juiste analyse. Want Daniël is zo literair ingesteld dat hij de werkelijkheid ziet als een verhaal – dat door niemand wordt verteld. ‘Het verhaal vertelde zichzelf. Er was geen schrijver aan te pas gekomen zoals er ook geen lezer was. Een verhaal zonder schrijver, zonder lezer.’ Reden genoeg, meent de vriendin, om hem in te ruilen voor een wat praktischer ingestelde man, die juist helemaal niet van lezen houdt, maar wel bereid is marathons met haar te gaan lopen. Daniël zoekt vervolgens, heel toepasselijk, een beetje voorspelbaar ook wel, troost bij een boek. Bij een novelle uit 1984, geschreven door een in vergetelheid geraakte Nederlandse auteur, die zich afspeelt in Italië. En al gauw besluit hij om naar Toscane te reizen, in het spoor van de onbekende schrijver, om hem te bezoeken en te ondervragen over de ontstaansgeschiedenis.

En zo ontvouwt zich in Een kamer in Rome een ingenieus verhaal binnen een verhaal, waarin de lezer te maken krijgt met veel personages, plaatsnamen, jaartallen, gebeurtenissen en verwikkelingen. Natuurlijk worden niet alle vragen beantwoord, zodat aan het eind nog steeds niet zeker is wie nu eigenlijk de schrijver is van de novelle en wat die schrijver er precies mee voor had.

Het ingebedde verhaal, waarvan wij fragmenten te lezen krijgen, speelt zich af in en om een Toscaanse villa. Een rijke oude dichter laat zijn tuin en zwembad in het zomerseizoen onderhouden door een 25-jarige man. Dagelijks wisselen ze van gedachten. Er gebeurt niets, maar er wordt wel gezinspeeld op een wederzijdse, broeierige aantrekkingskracht. De dichter moet het daarbij hebben van zijn eruditie, de jongeman van zijn fraaie, gespierde uiterlijk. Ook al zo voorspelbaar.

Afgezien van het wat abrupte slot (een verkeersongeluk), heeft de veelgeroemde novelle weinig spankracht. Het is zelfs een uitgesproken slome, kitscherige geschiedenis over twee mannen die nogal theatraal om elkaar heen draaien. Ook hier kiest Melissen weer veelvuldig voor het zijpad. De oude dichter wordt vergeleken met Ben Traven, Don DeLillo, J.D. Salinger en Oscar Wilde. De jongeman wordt vooral in verband gebracht met de jong gestorven Keats en daarnaast met allerlei mythische figuren, zodat ook hij als het ware boven zichzelf wordt uitgetild.

Iets te nadrukkelijk wil Melissen in dit boek de lof zingen van de verbeelding, en van ‘de schoonheid’ die daarmee gemoeid zou zijn. Maar dat maakt de roman zelf, over een student die op zoek gaat naar zijn literaire voorbeeld, nog niet meteen tot een mooi of meeslepend geheel. Wat na het wegstrepen van alle verwijzingen naar interessante schrijvers en bijzondere gebeurtenissen overblijft van Een kamer in Rome, is een mager en nogal humorloos verhaal over een bleke student die, om maar zo veel mogelijk op Hemingway te lijken, permanent met zijn rode Moleskine-boekje op zak loopt.

Zolang hij zijn illustere voorgangers aan het woord laat, of hun anekdotes navertelt, is er niets aan de hand. Maar zodra hij zelf aan het krabbelen slaat in zijn rode boekje, blijkt hij ineens nogal een gewone, cultureel correcte jongen te zijn, die dolgraag schrijver wil zijn, maar helaas weinig te melden heeft.