Levend afdalen in de aarde

Als het zover is – zal ik dan eindelijk weten wat dat is, doodgaan, schreef Rutger Kopland in een gedicht. De laatste week heb ik veel in zijn poëzie gelezen, voor de zoveelste keer als voor het eerst. Zo gaat dat met grote kunst. Die slijt niet af. Die is steeds nieuw.

Een kiekje van iemand verliest na een poosje zijn charme. Het is alsof hij hierin niet meer is te vinden. Een goed geschilderd portret bewaart daarentegen iets van hoe hij echt was. In een geschilderd portret zit veel meer tijd dan in dat ene, al te toevallige ogenblik waarop de foto werd genomen. Zo gaat het ook met poëzie. Er zit meer tijd in. Ons hele leven zit erin.

In de gedichten van Kopland gaat het vaak over sterven en doodgaan. Dit wordt extra zichtbaar als iemand net is gestorven. Het gaat – niet steeds heel expliciet, maar toch – over de angst voor de dood, de eigen en die van anderen, en de bevreemding om het leven dat ook weer verdwijnt.

Niemand kan zich goed de wereld voorstellen zoals ze is zonder dat je er zelf bent om haar te zien. Heel soms lijk je hiervan even een glimp op te vangen; dat deze rots er al eeuwen was en nog eeuwen zal staan, onafhankelijk van jouw blik, of dat in deze kamer de dingen ook zo stil staan als je er niet (meer) bent. Vaker sta je jezelf hardnekkig voor te houden dat dit paleis écht bewoond is geweest door échte mensen, en dat die mensen er niet meer zijn, net zoals jij er niet meer zult zijn – maar je gelooft jezelf niet écht.

Sterven is en blijft iets onbegrijpelijks. Kopland schreef vaak over het verdwijnen en het verdwenen zijn, over de veronderstelling dat er zoiets als een ziel het lichaam verliet. Dit is een voorstelling waarin hij zelf, schreef hij ook, niet geloofde, maar toch, bijvoorbeeld toen de hond stierf: wat gebeurde er toch dat ik wist dat ze stierf/ alsof haar lichaam door iets werd verlaten.

Woorden kunnen niet zeggen wat er dan gebeurt. Er is iets weg, het iets wat het leven is, de geest, de ziel, iets onbegrijpelijks. Stel je je eigen lichaam voor, maar door jou verlaten. Als je het opschrijft, voel je al dat het niet kan, dat het onzin is, want wie ben ‘jij’ dan in dit verband? De bewoner van het lichaam zeker weer.

In een schitterende reeks gedichten bij schilderijen van Co Westerik schrijft Kopland over ‘Afdalingen bij klaarlichte dag’: Je ziet hoe het gebeurt/het is klaarlichte dag – en het gebeurt/ voor je ogen zie je hoe het lichaam/ van een man/ levend afdaalt in de aarde.

Het gaat niet over levend begraven worden. Het gaat over sterven, over verdwijnen, over hoe het lichaam ons meeneemt naar ergens – waar heb je me gevonden/ waar breng je me heen/ waar laat je me gaan. En wat dan, wat dan.

Met deze vraag en angst wilde Kopland zichzelf verzoenen, en hij niet alleen natuurlijk. Waar blijven onze doden? Waar gaan ze heen? Hoe kan het dat iemand die er was, er nu niet meer is?

Hierover kunnen we allemaal nuchtere dingen zeggen, maar dat helpt niet. Kopland had wel een soort antwoord gevonden, denk ik. Het was een tegenantwoord, tegen het antwoord uit de jeugd, het antwoord van het kindergeloof dat hem was opgedrongen, het antwoord waarin er sprake was van „grazige weiden rustige wateren”, van een uiteindelijke thuiskomst. Hierin geloofde hij niet meer.

Hoe gaat dat met dat waar iemand ‘niet meer’ in gelooft? Dat komt toch steeds terug. Steeds weer moet je dan zeggen: ‘nee, ik geloof niet meer in al die mooie beloften’. Degenen die er nooit in hebben geloofd, hebben het veel minder nodig om steeds weer te zeggen: ‘De wereld is wat ze is. Er valt niets te begrijpen. We komen niets te weten. Er zal geen dag zijn dat wij „van aangezicht tot aangezicht” staan.’

Kopland herhaalde dit steeds weer. Ik lees het steeds weer. Menigeen doet dit.

Als je de wereld echt zo zou zien, zou je het dan ook steeds moeten opschrijven en erover moeten lezen? Ik denk het niet. Het is het zoeken naar een overtuiging die je werkelijk overtuigt, naar een formulering waarmee je het kunt doen, die maakt dat er steeds weer gedichten nodig zijn – om te lezen en om te schrijven.

Daarin lees je dan steeds weer over „deze prachtige onverschilligheid van de wereld” en over „de overbodigheid van onze vragen”.

Ja, ze zullen overbodig zijn – maar ze zijn er wel.

en toch is er een licht in de ruimte

waardoor het ‘niets’ dat je ziet

een weerzien wordt of een afscheid