Column

Jutezak vol verdriet

V an het casanovistische type was hij toch al niet. Maar hem nu als een oude accordeon in de breedte op de Col d’Aspin zien sterven, gaf mij het gevoel naar iets obsceens te kijken.

Cadel Evans: gerafelde jutezak vol verdriet.

Ineens herkende je de bekende die altijd vreemd is gebleven. Gekomen uit een land met ander licht. Immuun zo niet allergisch voor de klassieke categorieën van glorie en afgang.

Curiosum op de fiets, en zelden goed gehumeurd.

Maar in het vergeefse klauteren in de Pyreneeën voegden oceanen zich bij elkaar. In de laatste ademstoot van een verslagene. Er ontstond meteen iets van vergevingsgezindheid. Was hij, Cadel Evans, dan toch niet een beetje van bij ons? Een surrogaat Hollander die nooit geleerd heeft wat huilen is? En daarom maar van mombakkes naar mombakkes is geëmigreerd?

Met dode ogen.

Het leed van een wielrenner, hoe geharnast ook, krijgt altijd iets heftigs en gemeenschappelijks. Je vergeet de onverlaat die de mensheid bedreigde toen zijn hondje even in de verdrukking van de persmeute kwam. Je vergeeft de wereldkampioen die met een ontoegankelijke grijns van beton zegevierend over de meet kwam. Van Cadel wist je: na de laatste pedaalslag doet niemand er nog toe.

Maar dan zie je onverwacht verdriet door de schouders schuiven. Je hoort het piepen van zijn oude knoken. Het hoofd halvelings buitengaats zonder lichaam. De blik als een muizenval. En dan wordt een oorwurm toch mens.

Ik heb nooit iets met Cadel gehad, maar in de Pyreneeën had ik hem wel kunnen dragen. Dat zal Johnny Hoogerland niet lukken: ooit een leuke provinciaal, maar nu treurige masseerolie voor de media.

Kermisattractie.

Die ontluistering heeft Cadel Evans niet gekend. De blinde liefde van het volk ook niet. Toen hij in Luchon met achterstand de meet overschreed zag ik hem de hand reiken naar George Hincapie. Een handreiking van Cadel: ongezien. Als was hij plotseling geslagen door het blauwe uur.

Oude knoken veranderen een mens.

Op de persconferentie, tijdens de rustdag, maakte hij van zijn knie een schoot voor adoptiezoontje Robel. Het jochie werd overhoop geschoten door fotografen, en ‘Papi’ vond het goed. Een kind op schoot in de Tour: einde verhaal. Kinderen neem je mee naar het criterium van Boxmeer. En alleen in de nabijheid van Erica Terpstra en Leontien van Moorsel.

Cadel Evans heeft het maximum uit zijn vierkante lijf gehaald. Lelijker dan de renner van BMC kun je niet op de fiets zitten, maar een palmares luistert niet naar esthetiek. Ook een hondenkar op tubes kan wereldkampioen worden. De Rabo’s met hun permanentje mogen niet eens in de schaduw van Cadel Evans staan. Gisteren niet, en vandaag nog steeds niet.

Vacansoleil? Ligt Fukushima dan niet om de hoek?

Straks eindigt Bradley Wiggins zoals zijn illustere voorganger Cadel. Op geen enkel moment liet hij in deze Tour een krul van renaissance zien. Het gezicht als een kolenschop, de benen als computerdarmen. En maar loeien dat hij van bij zijn geboorte tot het sterven dopingvrij zal zijn.

Onschuld per megafoon.

Daar wist mijn oude vader wel raad mee: houd je nooit op met jezuïeten.

Niets was sexy aan deze Tour, Wiggins en Froome niet, Cadel natuurlijk niet, het beschilderde condoom Thomas Voeckler al helemaal niet. Rabobank ten spijt had Luis León Sánchez misschien nog wel de meeste charme van lijf en leden.

Geluk voor een plakboek zelfs.

Waar is Johnny? Hier is Johnny! Een beetje Zeeuw zou het nooit van zichzelf zeggen.