Indonesië, de hype

Veel Nederlanders hebben het gevoel dat ze bijna niets weten over onze laatste koloniale oorlog. Dat ligt niet aan het historische onderzoek, maar aan de politiek.

21-09-2010, Rotterdam. Prinsjesdag op TV bij Correct op de Bergweg te Rotterdam. Foto Bas Czerwinski

Voormalig correspondent in Indonesië

Vooruit, nog één keer dan. Ad van Liempt, televisiemaker en geschiedschrijver, neemt deze zomer afscheid van het medium met een serie quasireportages over het begin van wat ooit de ‘politionele acties in Indonesië’ heetten. Hij doet net alsof er in 1947 al televisie was en laat verslag doen van Neêrlands laatste koloniale oorlog. Hij moest wel het nodige ensceneren. Want de verslaggeving over de verrichtingen van onze jongens werd destijds verzorgd (of gecensureerd) door de legervoorlichtingsdienst. Het bioscoopjournaal liet alleen beelden zien van patrouilles in rijstvelden en warme ontmoetingen tussen Hollandse militairen en kampongbewoners*.

Maar zo was het niet helemaal. Kijk maar naar de foto’s uit een vuilnisemmer in Enschede, die de Volkskrant laatst afdrukte. Ze komen uit het album van een intussen gestorven ex-dienstplichtige en laten executies zien van Indonesiërs. Wie de doden in de greppel waren, weten we niet. Wie de trekker overhaalde evenmin. Het raadsel rond die foto’s spreekt tot de verbeelding. Wat weten we weinig over die tijd, hoor ik opeens van jongere collega’s. En zij krijgen steun uit onverwachte hoek. Vorige maand riepen drie gerenommeerde instituten op tot een ‘nieuw en volledig onderzoek’ naar de gang van zaken in Indonesië in de jaren 1946-’49.

Zie je wel, hoor ik, dit is een vergeten zwarte bladzijde uit onze geschiedenis.

Maar zo is het ook niet helemaal. Er is een verschil tussen geschiedenis als collectieve herinnering en geschiedenis als bestudeerd verleden. Van sommige episodes in hun geschiedenis hebben Nederlanders een vertekend of geen beeld. Neem de opstand tegen de Spanjaarden (1568-1648), de ‘fluwelen revolutie’ van Patriotten tegen Orangisten (1795) of Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Onze laatste koloniale oorlog past in dat rijtje. Dat de collectieve herinnering eraan vaag is, is niet te wijten aan tekortschietend historisch onderzoek, maar aan de politiek.

Ongeacht wat uiteindelijk de doorslag gaf, het nationalistische verzet in Indonesië of de tussenkomst van Britten en Amerikanen, Nederland trok na vier jaar vechten aan het kortste eind. Het moest zijn kolonie in december 1949 opgeven. Om het nationale gezichtsverlies te beperken en ‘die Jappenvriend’ Soekarno niet helemaal zijn zin te geven, hield Den Haag nog even vast aan westelijk Nieuw-Guinea. Tienduizenden dienstplichtigen keerden huiswaarts als verliezers. Vier jaar oorlog tegen een dikwijls onzichtbare vijand was niet in hun koude kleren gaan zitten. Thuis waren ze niet scheutig met verhalen.

Twee gewezen dienstplichtigen wilden hun verhaal wél kwijt. De jonge socioloog Jacques van Doorn en zijn maat Wim Hendrix hadden in Indonesië gediend en daar uniek onderzoek verricht naar buitensporig geweld. Van de inzet van zwaar geschut tegen verdachte kampongs tot martelverhoren en executies. Ze stapten na thuiskomst met hun materiaal naar de Tweede Kamer, maar daar kregen ze geen steun. De meeste partijen hadden ‘onze jongens’ ginds aan de gang gehouden en achteraf wilden ze niet weten wat zij er hadden uitgericht. Het unieke onderzoeksmateriaal ging in de kast.

Bijna twintig jaar na de soevereiniteitsoverdracht, op 17 januari 1969, vertelde Joop Hueting, een gewezen stoottroeper*, in VARA’s Achter het Nieuws over ‘oorlogsmisdaden’ waaraan hij zelf had meegedaan. Een storm stak op. De Tweede Kamer eiste op initiatief van PvdA-fractieleider Joop den Uyl een onderzoek naar mogelijk wangedrag van de krijgsmacht en premier Piet de Jong zegde dat toe. Er kwam een onderzoekscommissie. Secretaris was de nog jonge Cees Fasseur, destijds ambtenaar op het ministerie van Justitie, later hoogleraar geschiedenis van Zuidoost-Azië.

De commissie moest binnen drie maanden rapporteren. Dat was kort, te kort voor een echt onderzoek, vond ook Fasseur. Het bleef bij een inventarisatie van bronnen en een, volgens de commissie verre van volledige opsomming van geweldsmisdrijven, die bekend werd als de Excessennota. Ondanks aandringen van Den Uyl kwam er geen parlementaire enquête. Zo bleef onduidelijk of de wandaden het gevolg waren van militair beleid of een reeks toevallige incidenten. „De krijgsmacht als geheel”, vond de premier, een gewezen duikbootkapitein, „heeft zich in Indonesië correct gedragen.”

De nota en Huetings onthullingen waren voor de veteranen Van Doorn en Hendrix aanleiding om hun notities alsnog uit de kast te halen. Binnen een jaar was er een boek. Ontsporing van geweld (1970) was een combinatie van veldobservaties en sociologische analyse. Het boek veroordeelt niet, maar analyseert. Het noemt geen namen, maar benoemt wel belangengroepen en reconstrueert het proces van geweldsescalatie. In het ‘excessendebat’ had niemand het over de inzet van tanks of zwaar geschut in grote bevolkingscentra, zij wel. Ze behandelen ook het geweld van de infanterie, zoals het platbranden van huizen, soms van hele kampongs, ter bestraffing van ‘contacten met de vijand’ of om ‘schootsveld’ te creëren.

Ten slotte beschrijven ze nauwkeurig het geweld van specialisten van de militaire inlichtingendienst. In 1983 verscheen een tweede editie, met een nieuw hoofdstuk waarin ‘Indië 1946-’49’ wordt vergeleken met latere koloniale oorlogen in Indochina, Algerije en Portugees Afrika*. In oktober verschijnt een heruitgave van dit standaardwerk. Hoezo vergeten geschiedenis?

In 1984 publiceerde onderzoeker Willem IJzereef De Zuid-Celebes-affaire – Kapitein Westerling en de standrechtelijke executies. Raymond Westerling, bijgenaamd ‘De Turk’, had van 1946 tot 1948 het bevel over het Depot (later Korps) Speciale Troepen in Indonesië. Deze commando-eenheid van vooral inheemse militairen voerde ‘zuiveringsacties’ uit in Zuid-Celebes, waarbij Westerling zich bediende van massale standrechtelijke executies. Hij was een slager, dat lijdt geen twijfel, maar hij kreeg van zijn civiele en militaire superieuren alle ruimte.

Ook de geschiedschrijver des vaderlands, Lou de Jong, deed een duit in het zakje. In november 1987 stuurde hij een conceptparagraaf van het ‘Indische’ deel (11a) van zijn magnum opus, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, naar zijn meelezers. Hij had rijkelijk geput uit het werk van Van Doorn en Hendrix, repte van oorlogsmisdaden en vergeleek het optreden van de Nederlanders met dat van de Duitsers. Een meelezer, een kolonel buiten dienst van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), gaf de tekst aan de De Telegraaf, die steevast partij koos voor oud-strijders. Die dreigden met processen. De Jong bond in. ‘Oorlogsmisdaden’ werden ‘excessen’, maar veel bleef gewoon staan.

Na de Excessennota en de boeken van Van Doorn & Hendrix, IJzereef en De Jong kon niemand nog met goed fatsoen spreken van een ‘witte bladzijde’. Alleen de politiek liet het afweten. In 1996 promoveerde historica Stef Scagliola op de dissertatie Last van de oorlog. Zij spreekt wél van oorlogsmisdaden. Scagliola vroeg zich terecht af „waarom politici, historici, veteranen en journalisten het maar niet eens kunnen worden”.

In 1995 waren ze het nog niet eens. Den Haag kreeg een uitnodiging voor koningin Beatrix om in Jakarta de feestelijkheden bij te wonen rond de vijftigste verjaardag van de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring (17 augustus 1945). Officieel beschouwde Nederland 1949, het jaar van de soevereiniteitsoverdracht, als begin van de Indonesische onafhankelijkheid. Als we de 17de augustus meevieren, vonden de veteranenlobby en politiek Den Haag, erkennen we dat we vier jaar lang oorlog hebben gevoerd tegen een onafhankelijk land. De koningin bracht wel een staatsbezoek aan Indonesië, maar arriveerde een paar dagen na de feestelijkheden.

Gezien de onbeweeglijkheid in Den Haag werd dit onverwerkte verleden voorlopig behandeld door het particuliere initiatief. Een week vóór het koninklijke bezoek in 1995 riep RTL een vergeten bloedbad in herinnering: de executie door Nederlandse militairen van 431 mannen in het gehucht Rawagede, West-Java, op 9 december 1947. Het duurde tot 2011 voor een Indonesische stichting, die namens de weduwen van Rawagede schadevergoeding eiste, gelijk kreeg van een Nederlandse rechter. In de tussenliggende vijftien jaar gingen ook politiek en diplomatie bewegen. Nederlandse ambassadeurs in Jakarta boden tot tweemaal toe excuses aan voor Rawagede en in 2005 zei minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot dat Nederland „destijds aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond”. Den Haag had deze zwarte bladzijde eindelijk omgeslagen.

Over onze laatste koloniale oorlog zijn intussen duizenden pagina’s vol geschreven. Hij staat vermeld in schoolboeken en was vier jaar geleden nog onderwerp van het eindexamen vwo. Morgen mag Ad van Liempt nog één keer uitpakken op televisie en laat hij bekende Nederlanders oorlogsverslaggever in Indië spelen. Nieuw én authentiek beeldmateriaal zal het niet opleveren. Dan rijst de vraag wie er ruim zestig jaar na dato nog wat te winnen heeft bij verder graafwerk.

De Indonesische stichting wil na Rawagede haar actie uitbreiden naar Zuid-Sulawesi, waar Westerling tekeerging. Er zijn daar allicht nakomelingen die wel voelen voor schadevergoeding. Maar Indonesië is een lastig land als het om geld gaat. Michel Maas, correspondent van de Volkskrant in Jakarta, ontdekte eerder dit jaar dat geen enkele weduwe van Rawagede een cent heeft gezien. En er is geen reden om te veronderstellen dat bestuurders in Sulawesi minder inhalig zijn dan hun ambtgenoten in West-Java.

Onderzoek kan nooit kwaad, maar het is de vraag wat we ervan kunnen verwachten. Het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlandse Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het onderzoeksinstituut voor oorlogs- en holocauststudies NIOD willen geld voor drie jaar onderzoek naar ´het geweld van beide partijen tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog´. Het nieuwe element in hun onderzoeksplan is het geweld aan Indonesische kant. Dat wordt lastig. Indonesische getuigen zijn er bijna niet meer; ginds gelden de pemuda (jonge vrijheidstrijders) van toen nog steeds als nationale helden, en buitenlanders hebben geen toegang tot de archieven van de TNI, het Indonesische leger.

Maar ja, de subsidies voor deze drie instituten staan zwaar onder druk. Een onderzoekslijn van drie jaar houdt de deuren open.